Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AL3529

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
28-10-2003
Zaaknummer
02717/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AL3529
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uit de stukken niet blijkt van een tijdige kennisgeving aan de raadsman van de terechtzitting ex art. 51 Sv. In casu geen ambtshalve vernietiging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51
Wetboek van Strafvordering 437
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 546
NBSTRAF 2003/434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 oktober 2003

Strafkamer

nr. 02717/02

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2002, nummer 20/002963-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats] (Groot-Brittannië).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2000 - de verdachte ter zake van "een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, invoeren en/of in voorraad hebben, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, en de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

3. Afwezigheid van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep

3.1. De procesgang is de volgende geweest.

(i) In eerste aanleg is de zaak op 28 augustus 2000 behandeld door de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. De verdachte was niet verschenen. Als raadsman was ter terechtzitting aanwezig mr. F.H. van Alst, die verklaarde uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De raadsman heeft aldaar het woord gevoerd aan de hand van aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotities. De Politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

(ii) De Officier van Justitie heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 november 2001 heeft mr. F.H. van Alst het Hof kennis gegeven dat hij als raadsman van de verdachte zou optreden. De zaak is voor de eerste maal behandeld ter terechtzitting van het Hof van 11 januari 2002. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal was de verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. Ter terechtzitting was aanwezig de raadsman van de verdachte, mr. Van Alst, die verklaarde uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte te verdedigen. De raadsman heeft aldaar het woord ter verdediging gevoerd. De behandeling van de zaak is toen voor onbepaalde tijd aangehouden, met bevel tot oproeping van de verdachte tegen de nog nader te bepalen terechtzitting en tot kennisgeving van die nadere terechtzitting aan de raadsman.

(iii) Ter terechtzitting van het Hof van 26 juli 2002 is de zaak wederom behandeld. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt in dat de verdachte, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen. De oproeping van de verdachte om op die terechtzitting te verschijnen is op 24 mei 2002 uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. De desbetreffende brief is op 24 mei 2002 aangetekend verzonden aan het adres van de verdachte in het buitenland.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 juli 2002 houdt niets in omtrent de aanwezigheid van een raadsman. Op die terechtzitting is het onderzoek opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof en is het onderzoek gesloten.

(iv) Namens de verdachte heeft mr. Van Alst beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

3.2. Uit de stukken waarvan de Hoge Raad kennis neemt kan niet worden afgeleid dat aan mr. Van Alst tijdig is kennisgegeven van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2002 doordat hem een afschrift van de oproeping is verstrekt en evenmin dat de raadsman anderszins daarvan op de hoogte was.

3.3. De door mr. Van Alst in cassatie voorgestelde middelen bevatten evenwel niet de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of art. 51 tweede volzin Sv is nageleefd en daarin wordt niet aangevoerd dat de raadsman van de verdachte in hoger beroep, mr. Van Alst, van de voorgenomen behandeling van de zaak ter terechtzitting van het Hof van 26 juli 2002 niet tijdig op de hoogte is geweest.

Onder deze omstandigheden acht de Hoge Raad geen grond aanwezig de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.

4. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 28 oktober 2003.