Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AK8285

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
C02/198HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AK8285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

5 december 2003 Eerste Kamer Nr. C02/198HR HJH/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon ex art. 2 van de Wet centraal orgaan opvang asielzoekers CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS, gevestigd te Rijswijk (ZH), EISER tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, t e g e n [Verweerder], verblijvende te [verblijfplaats] ,VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 642
NJ 2005, 443 met annotatie van C.A. Groenendijk
RvdW 2003, 189
JWB 2003/455
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 december 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/198HR

HJH/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoon ex art. 2 van de Wet centraal orgaan opvang asielzoekers CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

gevestigd te Rijswijk (ZH),

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

[Verweerder],

verblijvende te [verblijfplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: het COA - heeft bij exploot van 23 mei 2001 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen het AZC Waddinxveen binnen drie dagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het zijne, met machtiging op het COA om dit vonnis, na betekening, ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm, indien [verweerder] niet aan deze veroordeling voldoet.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De president heeft bij vonnis van 27 juni 2001 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft het COA hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 25 april 2002 heeft het hof het vonnis, waarvan beroep, bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft het COA beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

Het COA heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat en mede door mr. S. Sierksma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9. Samengevat gaat het om het volgende.

(i) [Verweerder], afkomstig uit Irak, verblijft sinds december 1997 in Nederland.

(ii) Bij beschikking van 17 juni 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie de asielaanvraag van [verweerder] en zijn aanvraag van een verblijfsvergunning niet ingewilligd. Aan [verweerder] is wel een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend.

(iii) Bij beschikking van 5 februari 1999 heeft de Staatssecretaris de bezwaren van [verweerder] tegen de beschikking van 17 juni 1998 ongegrond verklaard en de voorwaardelijke vergunning tot verblijf ingetrokken.

(iv) Het door [verweerder] ingestelde beroep tegen voormelde ongegrondverklaring is op 20 januari 2000 door de rechtbank 's-Gravenhage verworpen.

(v) Op 28 december 2000 is het bezwaar van [verweerder] tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf door de president van de rechtbank 's-Gravenhage ongegrond verklaard.

(vi) Op 28 maart 2001 is [verweerder] medegedeeld dat de opvangvoorzieningen op 24 april 2001 zouden eindigen.

(vii) [Verweerder] heeft geweigerd het AZC Waddinxveen te verlaten.

3.2 In dit kort geding heeft het COA gevorderd dat [verweerder] zal worden veroordeeld tot ontruiming van het AZC. Aan die vordering heeft het COA, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat op grond van het gewijzigde art. 8 lid 1, onder c, Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: Rva 1997) en het daarop gebaseerde Stappenplan 2000 [verweerder] rechtmatig verwijderbaar is omdat negatief is beslist op zijn bezwaar tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Nadat [verweerder] verweer had gevoerd, heeft de president de vordering van het COA afgewezen. Op het door het COA ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de president bekrachtigd. Het hof overwoog daartoe dat het gewijzigde art. 8 lid 1, onder c, Rva 1997 en het Stappenplan 2000 niet op [verweerder] van toepassing zijn (rov. 11).

3.3.1 Het middel komt met een rechtsklacht op tegen dit oordeel van het hof. De toepasselijke wettelijke regeling houdt, voor zover in deze zaak van belang en samengevat weergegeven, het volgende in.

(i) Het COA is belast met de opvang van asielzoekers. De opvang omvat de verstrekkingen die worden genoemd in de Rva 1997, zoals onderdak en een financiële toelage.

(ii) De beëindiging van de verstrekkingen wordt geregeld in art. 8 lid 1 van de Rva 1997 en nader uitgewerkt in een zogeheten Stappenplan.

(iii) In de onderhavige zaak is van belang het Stappenplan 1999. Ingevolge deze regeling geldt met betrekking tot de beëindiging van het verblijf het meewerkcriterium, dat inhoudt dat de vreemdeling gebruik kan blijven maken van de opvangvoorzieningen zolang hij voldoende meewerkt aan zijn terugkeer.

(iv) Bij Besluit van 6 december 1999 (Stcrt. 1999, 237) is art. 8 lid 1, onder c, Rva 1997 met ingang van 1 januari 2000 gewijzigd. Ingevolge deze bepaling eindigen de verstrekkingen "indien hetzij op de asielaanvraag niet inwilligend is beschikt en deze beschikking onherroepelijk is geworden hetzij het een vreemdeling betreft die rechtmatig verwijderbaar is: op de dag na ommekomst van de finale vertrektermijn van 28 dagen". Deze wijziging hield verband met het nieuwe, aangescherpte terugkeerbeleid van de Staatssecretaris van Justitie. Na de finale vertrektermijn eindigen de opvangvoorzieningen van rechtswege. De beëindiging van de opvangvoorzieningen is nader geregeld in het Stappenplan 2000, dat op 10 februari 2000 is gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 29) en op 11 februari 2000 in werking is getreden. In dat Stappenplan is het meewerk-criterium afgeschaft.

(v) Het Besluit van 6 december 1999 (hierna: het Besluit) houdt in art. II de volgende overgangsregeling in:

"Dit besluit is niet van toepassing op de vreemdeling ten aanzien van wie voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit:

a. een beslissing op de asielaanvraag is genomen,

b. een beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet inwilligende beschikking op de asielaanvraag is genomen of

c. de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, of de toelating als vluchteling is ingetrokken."

(vi) In het Stappenplan 2000 wordt onder "Doelgroep" het volgende opgemerkt:

"Het Stappenplan 2000 is van toepassing op asielzoekers ten aanzien van wie op of na de datum van publicatie van dit Stappenplan 2000 in de Staatscourant:

a. een negatieve beslissing op de asielaanvraag is genomen, of

b. een negatieve beslissing op het ingediende bezwaar tegen de niet-inwilliging van de asielaanvraag is genomen, of

c. de vergunning tot verblijf, daaronder begrepen de voorwaardelijke vergunning tot verblijf, is ingetrokken of niet is verlengd, of de toelating als vluchteling is ingetrokken.

Op de overige categorieën centraal opgevangen asielzoekers blijft het bestaande Stappenplan, laatstelijk gewijzigd op 8 januari 1999, dat is gebaseerd op het zogenaamde meewerkcriterium, van toepassing."

3.3.2 Bij het antwoord op de vraag of het gewijzigde art. 8 lid 1, onder c, en het Stappenplan 2000 ten aanzien van [verweerder] van toepassing zijn, geldt als uitgangspunt art. II van het Besluit. Ingevolge deze bepaling is het Besluit niet van toepassing op de vreemdeling ten aanzien van wie vóór de datum van inwerkingtreding van het Besluit, derhalve vóór 1 januari 2000, aan ten minste een van de onder a tot en met c genoemde criteria is voldaan. Gelet op de hiervoor onder 3.1 genoemde data waarop ten aanzien van [verweerder] de beslissing op zijn asielaanvraag (17 juni 1998) en de beslissing op het in verband daarmee ingediende bezwaar (5 februari 1999) zijn genomen, zijn het Besluit en daarmee het gewijzigde art. 8 lid 1, onder c, niet op [verweerder] van toepassing, zodat ten aanzien van hem nog het hiervoor genoemde Stappenplan 1999 en het daarin neergelegde meewerkcriterium gelden. Het oordeel van het hof is derhalve juist, zodat de klacht van het middel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste opvatting met betrekking tot de betekenis van art. II, onder c, van het Besluit geen behandeling behoeft, en het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.

3.3.3 Opmerking verdient nog dat het Stappenplan 2000 inhoudt dat het Stappenplan van toepassing is op asielzoekers ten aanzien van wie op of na de datum van publicatie van dit Stappenplan in de Staatscourant, derhalve 10 februari 2000, een van de onder "Doelgroep" onder a tot en met c genoemde beslissingen is genomen. Gelet op deze - hiervoor weergegeven - passage, die - anders dan art. II van het Besluit - positief is geformuleerd, kan toepassing van het hier gebezigde criterium tot een andere uitkomst leiden dan het geval is bij toepassing van art. II van het Besluit, terwijl bovendien het Stappenplan 2000 uitgaat van een andere ingangsdatum (10 februari 2000) dan het Besluit (1 januari 2000). In aanmerking genomen dat het Stappenplan 2000 de uitvoeringsregeling is van het Besluit, moet ervan worden uitgegaan dat met het Stappenplan niet is bedoeld een van het Besluit afwijkende regeling in het leven te roepen. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat het Stappenplan 2000 slechts van toepassing is ten aanzien van vreemdelingen op wie het Besluit van 6 december 1999 van toepassing is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het COA in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 5 december 2003.