Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AK4828

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
03-10-2003
Zaaknummer
C02/138 HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AK4828
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

3 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/138HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n Mr. Alexander Arian AARTSE TUIJN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 479a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 491
JWB 2003/370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 oktober 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/138HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

Mr. Alexander Arian AARTSE TUIJN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploit van 4 februari 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de kantonrechter te Alkmaar en met de stelling dat de gefaillieerde, hierna: [betrokkene 1], in januari 1992 een arbeidsovereenkomst met [eiser] heeft gesloten, uit dien hoofde loon gevorderd.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 februari 1998 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de curator hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Alkmaar. Bij memorie van grieven heeft de curator gevorderd om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormeld vonnis van de kantonrechter te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

PRIMAIR:

A. [eiser] te veroordelen om aan de boedel van de [betrokkene 1] te voldoen een bedrag aan salaris van ƒ 70.000,-- althans een bedrag aan salaris dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 1995;

B. [eiser] te veroordelen tot betaling aan de boedel van [betrokkene 1] van de maximale verhoging ex artikel 7A:1638q BW;

C. [eiser] te veroordelen om aan de boedel van [betrokkene 1] te voldoen een bedrag van ƒ 3.500,-- aan buitengerechtelijke incassokosten c.q. door de boedel geleden vermogensschade;

D. [eiser] alsnog te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

SUBSIDIAIR, namelijk voorzover de vorderingen vanwege de boedel niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7A:1637a BW zouden kunnen zijn gebaseerd en om die reden aan de boedel behoren te worden ontzegd:

A. [eiser] te veroordelen tot betaling aan de boedel van [betrokkene 1] van een bedrag van ƒ 70.000,-- zijnde - naar objectieve maatstaven beoordeeld - een minimaal redelijke/billijke vergoeding voor de door [betrokkene 1] ten behoeve van de edities 237 t/m 243 van het magazine Palet & Tekenstift gepleegde verrichtingen c.q. voor de gedurende de jaren 1992 en 1993 aan [eiser] verleende diensten, het een en ander als ten dele nader gespecificeerd op het op 15 juni 1993 door aan [eiser] verzonden overzicht (= productie 1 bij conclusie van antwoord), alsmede [eiser] te veroordelen tot de betaling van de wettelijke rente over bedoeld bedrag, gerekend vanaf 18 januari 1995;

B. [eiser] te veroordelen om aan de boedel van [betrokkene 1] te voldoen een bedrag van ƒ 3.500,-- aan buitengerechtelijke incassokosten c.q. door de boedel geleden vermogensschade;

C. [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Bij vonnis van 25 maart 1999 heeft de rechtbank in het hoger beroep het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen. In eerste aanleg heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

Na comparitie heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 18 november 1999 [eiser] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 14 december 2000, rechtdoende in eerste aanleg, de vordering afgewezen.

Tegen het vonnis van de rechtbank van 14 december 2000 heeft de curator hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 24 januari 2002 heeft het hof het eindvonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiser] veroordeeld om aan de boedel van [betrokkene 1] te betalen een bedrag van € 27.117,91, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 januari 1995 tot de dag der algehele voldoening, alsmede [eiser] veroordeeld om aan de boedel van [betrokkene 1] te betalen een bedrag van € 1.588,23, deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen curator is verstek verleend.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 oktober 2003.