Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AJ1420

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
00670/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AJ1420
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Het verweer dat een getuigeverklaring onbetrouwbaar is, noopte het hof niet tot nadere motivering van het gebruik van deze verklaring voor het bewijs. 2. Onderscheid verbergen en wegvoeren lijk als bedoeld in art. 151 Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 338
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 521
NJ 2005, 182 met annotatie van G. Knigge
NBSTRAF 2003/404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 oktober 2003

Strafkamer

nr. 00670/03

SG/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 oktober 2002, nummer 22/002006-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedatum] 1960, ten tijde van de aanzegging in cassatie gedetineerd in "Penitentiaire Inrichting De Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 18 september 2001 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van moord" en 2. "een lijk verbergen met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf, met teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen auto.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld. Nadien heeft hij het derde en het zesde middel ingetrokken. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof voor het bewijs heeft gebezigd een verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], echtgenote van de verdachte en moeder van het slachtoffer, zonder gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de verklaring van deze getuige onbetrouwbaar is, terwijl het een verklaring betreft die voor het bewijs essentieel is.

3.2.1. Ten laste van de verdachte, is door het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 15 februari 2001 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk met voorbedachten rade, [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1984, van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en (een van) zijn mededaders(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] gewurgd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (door verstikking) is overleden."

3.2.2. Deze bewezenverklaring berust onder meer op een proces-verbaal van politie van 11 juli 2001 voorzover inhoudende een tegenover opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte] (bewijsmiddel 5).

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2002 houdt in dat de raadsman het woord heeft gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze houden onder meer in als het in het middel bedoelde verweer:

"Ik begin met een bespreking van de betrouwbaarheid van de verklaringen. (...)

Verklaringen van [medeverdachte] (echtgenote cliënt)

"De echtgenote van cliënt, [medeverdachte], heeft een zeer groot aantal, inhoudelijk zeer wisselende, verklaringen afgelegd in dit onderzoek. De Rechtbank heeft één van die verklaringen, namelijk de verklaring waarin [medeverdachte] zegt dat cliënt [het slachtoffer] bij haar sjaal heeft gepakt en haar hoofd naar voren en naar achteren heeft geschud, voor het bewijs gebezigd.

Deze verklaring behelst slechts één van de lezingen van het gebeuren die [medeverdachte] in de loop van haar ruim veertig verklaringen heeft gegeven. Het is gebleken dat de echtgenote van cliënt haar verklaringen vaak in zeer emotionele toestand heeft afgelegd.

Daar komt bij dat zij regelmatig heeft verklaard "zomaar wat te zeggen" om er vanaf te zijn (dat wil zeggen om de verhoorsituatie te kunnen verlaten). Bij de rechter-commissaris verklaarde zij:

"Mij wordt voorgehouden dat ik inmiddels zo'n veertig keer verklaringen heb moeten afleggen. In één van mijn eerste verklaringen bij de rechter-commissaris heb ik gezegd dat ik door de politie onder druk was gezet. Nu mij gevraagd wordt op welke wijze dat gebeurde zeg ik dat de politie voortdurend tegen mij zei dat ik wel zou weten wie [het slachtoffer] had doodgemaakt. Ik heb toen ook zomaar dingen verteld aan de politie om iets te kunnen zeggen; ik deed dat in de hoop dat ik dan met rust zou worden gelaten."

(verhoor RC 21 augustus 2001)

Gezien het feit dat deze getuige (medeverdachte) zo onduidelijk, wisselend en vaak leugenachtig verklaart, meen ik dat het niet aangaat uit die verklaringen delen te "selecteren" teneinde een eventuele bewezenverklaring daarop te stoelen. Tegenover een bekentenis van deze getuige, staat een intrekking. Tegenover een belastende verklaring, staat een ontlastende verklaring. In die situatie kan het - in mijn visie - niet zo zijn dat Uw College (zoals de Rechtbank wel heeft gedaan) de overtuiging bekomt dat één bepaalde verklaring (zonder overtuigend steunbewijs voor die verklaring) op waarheid berust en een andere verklaring niet.

Daar komt nog bij dat er van deze getuige/medeverdachte een psychiatrisch onderzoek is uitgevoerd. Daaruit blijkt al dat aan de psychiatrische gesteldheid van deze getuige kennelijk wordt getwijfeld.

Aangezien er zoveel vragen open bleven omtrent de verklaringen van [medeverdachte] (wat is er nu wel waar en wat niet; wat heeft ze gezien, wat heeft ze verzonnen) is [medeverdachte] als getuige ter zitting in eerste aanleg gehoord. De vragen van de Rechtbank - zo blijkt uit het p.v. van de zitting - beperkten zich tot de vraag waarom [medeverdachte] zoveel wisselende verklaringen heeft afgelegd. Als antwoord is in het proces-verbaal opgenomen (ik wijs op hetgeen is verwoord in de pleitnotitie ten behoeve van de pro forma zitting voor Uw Hof):

"De waarheid heb ik zelf niet gezien."

Het antwoord op de vraag waarom deze getuige steeds andere verklaringen aflegt, is daarmee niet gegeven. Wel lijkt de getuige hier aan te geven dat ze niet weet wat er precies is gebeurd. Uit de vele verklaringen van [medeverdachte] kan in ieder geval niet worden afgeleid wat nu werkelijkheid is en wat fictie. Wel is aangetoond dat deze getuige in vele van haar verklaringen heeft gelogen. Een enkel voorbeeld: ze heeft onder meer verklaard dat [het slachtoffer] door messteken om het leven is gebracht. Uit de sectie is gebleken dat dat in ieder geval niet waar is.

De echtgenote van cliënt heeft ter zitting van Uw Hof eveneens als getuige een verklaring afgelegd. Ten tijde van dat verhoor wist [medeverdachte] helemaal niets meer te verklaren. Zij is vervolgens geplaatst in het Pieter Baan Centrum voor nader onderzoek. De verdediging meent dat die rapportage van belang kan zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door de getuige afgelegde verklaringen.

Ik concludeer: [medeverdachte] heeft vele wisselende verklaringen afgelegd, waarbij is gebleken dat zij vaak in een verwarde en emotionele toestand verkeerde. Of zij aanwezig is geweest toen [het slachtoffer] werd gedood, kan niet uit het dossier blijken. Alleen om die reden al moet ernstig worden betwijfeld of de verklaring, waarin ze zegt dat [het slachtoffer] met haar hoofd heen en weer is geschud, op waarheid berust. In ieder geval meen ik dat - vanwege de aantoonbare onbetrouwbaarheid - de verklaringen van [medeverdachte] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd."

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap behoeft af te leggen.

Op dit uitgangspunt zijn zowel wettelijke als enkele jurisprudentiële uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ter terechtzitting in feitelijke aanleg door of namens de verdachte is aangevoerd (vgl. HR 15 oktober 2002, LJN AE6870).

Hetgeen op de terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd kan echter niet gelden als een dergelijke omstandigheid die het Hof tot een nadere motivering noopte. Hierbij doet niet terzake of het een - in de bewijsconstructie van het Hof essentiële - verklaring betreft.

3.5. Het middel slaagt daarom niet.

4. Beoordeling van het vijfde middel

4.1. Het middel bevat, naar de Hoge Raad begrijpt, de klacht dat het Hof het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "een lijk verbergen met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen".

4.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 15 februari 2001, te Dordrecht een lijk, te weten het dode lichaam van [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1984, heeft weggevoerd, met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen, door voornoemd lijk in een sprei en een dekbedovertrek te wikkelen en (vervolgens) in een auto te leggen en te vervoeren naar een andere plaats, te weten een landweg (Kerkweg te Ouderkerk aan den IJssel) en aldaar langs de kant van de weg te leggen en achter te laten."

4.3. In aanmerking genomen dat de bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte het lijk heeft "weggevoerd", is de door het Hof aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie onjuist. Het middel is dus gegrond. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, de kwalificatie verbeteren.

5. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van hetgeen onder 2 is bewezenverklaard;

Kwalificeert hetgeen onder 2 is bewezenverklaard als: "een lijk wegvoeren met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen";

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 14 oktober 2003.