Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AJ0743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2003
Datum publicatie
01-12-2003
Zaaknummer
C02/134HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AJ0743
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

28 november 2003 Eerste Kamer Nr. C02/134HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [Advocatenkantoor X], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Advocaat Y], wonende te [woonplaats], VERWEERSTERS in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 617
NJ 2004, 328
JWB 2004/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 november 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/134HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. [Advocatenkantoor X],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Advocaat Y],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 21 juli 1998 verweersters in cassatie - verder tezamen ook te noemen: [advocatenkantoor X] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te Dordrecht en gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat [advocaat Y] in de uitoefening van haar beroep een kunstfout heeft begaan, ten gevolge waarvan [eiseres] schade heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. [advocatenkantoor X] c.s. te veroordelen aan [eiseres] te betalen de som van ƒ 120.000,--, ten titel van voorschot op de vergoeding van bovengenoemde nader te bepalen schade.

[Advocatenkantoor X] c.s. hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 19 januari 2000 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Advocatenkantoor X] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 19 december 2001 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Advocatenkantoor X] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In deze zaak gaat het om het volgende. [Advocaat Y] heeft [eiseres] van juli 1978 tot medio 1984 als advocaat bijgestaan in een echtscheidingsprocedure en de daarmee samenhangende boedelscheiding. Bij een bespreking op 9 december 1981, waar [advocaat Y] aanwezig was maar [eiseres] niet, is met betrekking tot de boedelscheiding een schikking getroffen inhoudende dat wegens overbedeling aan [eiseres] een bedrag van ƒ 244.000,-- zou worden betaald en als "afkoopsom alimentatie" ƒ 120.000,--. Stellende dat zij in de schikking niet gekend was, dat [advocaat Y] niet gemachtigd was deze aan te gaan, dat het bij het bedrag van ƒ 120.000,-- om een overbedelingsvordering ging en niet om de afkoop van alimentatie, maar dat zij desondanks over dat bedrag wel inkomstenbelasting en premies heeft moeten betalen en haar alimentatievordering afgewezen zag, heeft [eiseres] zich bij dagvaarding van 21 juli 1998 met de hiervoor onder 1. vermelde vordering tot schadevergoeding tot de rechtbank gewend.

De rechtbank, van oordeel dat [advocatenkantoor X] c.s. zich terecht op verjaring beriepen, heeft de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het hof daarentegen geoordeeld dat de verjaring gestuit was door de, in rov. 2.2 van het bestreden arrest aangehaalde, brieven van 17 maart 1992 en 12 maart 1997, maar het heeft het door [advocatenkantoor X] c.s. gedane beroep op rechtsverwerking gegrond bevonden. Tegen dit laatste keert zich middel I.

3.2.1 De onderdelen 1.3 tot en met 1.5 van dit middel - de onderdelen 1.1 en 1.2 bevatten een inleiding - klagen over onjuistheid of onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat [eiseres] haar rechten jegens [advocaat Y] ter zake van de door haar gestelde beroepsfout heeft verwerkt, nu zij - door telkens na aanvankelijke aansprakelijkstelling van [advocaat Y] vervolgens tot zesmaal toe gedurende maar liefst negen jaar niet tot dagvaarding over te gaan - bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk, ondanks andersluidende brieven, toch niet in rechte geldend zou maken (rov. 7 en 9).

Met deze andersluidende brieven heeft het hof het oog op een zestal in zijn arrest nader aangeduide, uit de periode van 21 april 1989 tot midden 1998 - [eiseres] heeft [advocaat Y] eerst op 21 juli 1998 gedagvaard - daterende brieven waarin [advocaat Y] namens [eiseres] aansprakelijk wordt gesteld voor de door haar als gevolg van de gestelde beroepsfout geleden schade.

3.2.2 Onderdeel 1.3 betoogt in de eerste plaats dat het hiervoor in 3.2.1 weergegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op a) de door het hof in zijn rov. 6.1 tot en met 6.12 weergegeven briefwisseling tussen de achtereenvolgende advocaten van [eiseres] enerzijds en [advocaat Y] of haar beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar anderzijds en b) het stuiten van de verjaring op 17 maart 1992 en 12 maart 1997. Immers, aldus het onderdeel, "de wet (het recht) stelt niet de eis of voorwaarde dat een vordering eerder wordt ingesteld op straffe van verlies van de aanspraak te dier zake anders dan in het kader van een (direct of rechtstreeks) beroep op verjaring".

3.2.3 Deze rechtsklacht faalt. Zij miskent dat een schuldeiser ook terwijl een verjaringstermijn nog loopt bij zijn schuldenaar het voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking vereiste gerechtvaardigde vertrouwen kan wekken dat hij zijn vordering niet meer geldend zal maken (vgl. HR 29 september 1995, nr. 15759, NJ 1996, 89).

3.2.4 De motiveringsklacht van onderdeel 1.3 treft evenmin doel. Het onderdeel wijst erop dat in de door het hof bedoelde brieven van [eiseres] "een (uitdrukkelijk) voorbehoud van recht is gemaakt ten aanzien van de vorm en/of de omvang van de schade dan wel de verdere uitwerking van die aansprakelijkheidsstelling", maar dit behoefde het hof niet te weerhouden van zijn oordeel dat [eiseres], door in een periode van negen jaar tot zes maal toe niet tot dagvaarding over te gaan terwijl zulks op grond van haar in diezelfde periode tot [advocaat Y] gerichte brieven wel verwacht mocht worden, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij haar aanspraak op schadevergoeding niet meer geldend zou maken. Van een onbegrijpelijk oordeel als door het onderdeel gesteld, is geen sprake.

3.2.5 Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof, nu het in zijn oordeel heeft betrokken dat "niet valt in te zien waarom al die tijd geen dagvaarding heeft plaatsgevonden" (rov. 7), heeft miskend dat enkel tijdsverloop of stilzitten niet tot rechtsverwerking leidt. Dit onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Van enkel tijdsverloop of stilzitten is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest: het gerechtvaardigde vertrouwen dat [eiseres] haar aanspraak op schadevergoeding niet meer geldend zou maken, is volgens het hof immers gewekt door het ondanks een zestal brieven die anders aankondigen, gedurende negen jaar achterwege laten van een dagvaarding. Onderdeel 1.4 kan dus wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.2.6 Onderdeel 1.5 somt een drietal door het hof bij zijn bestreden oordeel in aanmerking genomen feiten en omstandigheden op, maar anders dan het onderdeel op verschillende gronden betoogt, valt niet in te zien waarom die feiten en omstandigheden - alle verband houdende met 's hofs oordeel in rov. 7 dat onverklaarbaar is waarom, nadat [advocaat Y] zich al bij brief van 23 november 1993 op het standpunt had gesteld dat de vordering van [eiseres] in ieder geval verjaard was, nog gedurende vele jaren rechtsmaatregelen van de zijde van [eiseres] achterwege zijn gebleven - niet tot dat oordeel hebben kunnen bijdragen. Onderdeel 1.5 treft geen doel.

3.3 De onderdelen 1.6 tot en met 1.10 klagen over 's hofs oordeel in rov. 8 dat [advocaat Y] door het aanzienlijke tijdsverloop tussen 21 april 1989 en het uitbrengen van de dagvaarding in een nadelige bewijspositie is gekomen. 's Hofs oordeel dat [advocaat Y] zich terecht op rechtsverwerking beroept, wordt evenwel zelfstandig gedragen door het in de onderdelen 1.3 tot en met 1.5 tevergeefs bestreden oordeel. De onderdelen 1.6 tot en met 1.10 kunnen daarom bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.4 Middel II neemt tot uitgangspunt dat middel I tot vernietiging leidt. Dat is echter niet het geval, zodat middel II geen bespreking behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [advocatenkantoor X] c.s. begroot op € 1.486,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 november 2003.