Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AJ0633

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
C02/124HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AJ0633
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

31 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C02/124HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, incidenteel verweerster, advocaat: mr. A.J. Swelheim, t e g e n Mr. Richard Paul VAN BOVEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], kantoorhoudende te Assen, VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 552
NJ 2004, 113
JWB 2003/406
JAR 2003/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/124HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

Mr. Richard Paul VAN BOVEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1], kantoorhoudende te Assen,

VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploot van 20 november 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de kantonrechter te Zuidbroek en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: [eiseres] te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van ƒ 30.000,-- aan achterstallig loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 1998, althans vanaf de datum van deze dagvaarding;

subsidiair: [eiseres] te veroordelen om aan de curator te betalen een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 14 oktober 1999 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 15 juni 2000 de vordering van de curator toegewezen, zij het met matiging van de wettelijke verhoging tot 10%.

Tegen het eindvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen. De curator heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij zijn eis gewijzigd en vermeerderd met een vordering tot betaling van een bedrag van ƒ 5.426,40 ter zake van reis- en verblijfskosten.

Bij vonnis van 18 januari 2002 (hersteld bij vonnis van 29 maart 2002) heeft de rechtbank het eindvonnis van de kantonrechter bevestigd en de in hoger beroep door de curator in zoverre gewijzigde vordering ter zake van reis- en verblijfskosten toegewezen.

Het vonnis van 18 januari 2002 en het herstelvonnis van 29 maart 2002 van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 18 januari 2002 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep en [eiseres] heeft in het incidentele beroep geconcludeerd tot referte.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Betrokkene 1] heeft in het verleden gedurende dertien jaren als internationaal vrachtwagenchauffeur in loondienst gewerkt, onder andere in dienst van [A] B.V. Na het einde van het dienstverband met [A] B.V. heeft [betrokkene 1] samen met zijn echtgenote een vennootschap onder firma (hierna v.o.f.) gehad. Deze v.o.f. leaste een vrachtwagen van een derde en reed in verband met charters die de v.o.f. van [betrokkene 2] aannam in het kader van een tussen de v.o.f. en [betrokkene 2] gesloten charterovereenkomst. [Betrokkene 1] was daarbij de chauffeur.

(ii) Vervolgens is [betrokkene 1] in dienst getreden bij [betrokkene 2]. Indien op deze dienstbetrekking de CAO's voor het beroepsgoederenvervoer van toepassing zouden zijn, die golden in 1996, 1997 en 1998 (hierna: de CAO's), diende [betrokkene 1] op grond van zijn arbeidsverleden als internationaal vrachtwagenchauffeur bij de indiensttreding ingedeeld te worden in schaal E, trede 6. [Betrokkene 1] is echter ingedeeld in schaal C, trede 0. [Betrokkene 2] heeft hem het daarbij behorende maandsalaris betaald.

(iii) Ten tijde van de indiensttreding beschikte de v.o.f. nog over de geleaste vrachtwagen en liep de charterovereenkomst tussen [betrokkene 2] en de v.o.f. nog door. Overeengekomen is dat [betrokkene 1] die vrachtwagen zou gebruiken voor het vervoer ten behoeve van [betrokkene 2] en dat de v.o.f. daarbij alle kosten voor haar rekening zou nemen, terwijl [betrokkene 2] als tegenprestatie ƒ 1,68 respectievelijk ƒ 1,58 per gereden beladen respectievelijk onbeladen kilometer aan de v.o.f. zou betalen. Voorts is overeengekomen dat op deze tegenprestatie het door [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] verschuldigde salaris in mindering zou worden gebracht.

(iv) Na het einde van de dienstbetrekking met [betrokkene 2] heeft [betrokkene 1] weer voor [betrokkene 2] gereden tegen de voormelde kilometervergoeding. Daaraan is op 11 juli 1997 een einde gemaakt door de Rijksverkeersinspectie.

(v) Bij vonnis van de rechtbank te Assen van 4 november 1997 zijn de v.o.f. en [betrokkene 1] failliet verklaard. Mr. Van Boven is tot curator benoemd.

(vi) [Eiseres] is rechtsopvolgster van [betrokkene 2].

3.2 De curator heeft de hierboven onder 1 vermelde vordering ingesteld. Hij heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, aangevoerd dat op de arbeidsovereenkomst van [betrokkene 1] met [betrokkene 2] de CAO's van toepassing waren en dat [betrokkene 1], die dertien ervaringsjaren had en internationale transporten uitvoerde, ten onrechte niet is ingeschaald in loonschaal E, trede 6 en voorts dat [betrokkene 2] ten onrechte heeft nagelaten aan [betrokkene 1] de toeslag te betalen in verband met overuren en werken in het weekend.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

3.3 De kantonrechter heeft in zijn eindvonnis de vordering toegewezen en bepaald dat de wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%.

De rechtbank heeft dit vonnis bekrachtigd met veroordeling van [eiseres], zoals hiervoor onder 1 is vermeld. De middelen zijn gericht tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Onderdeel 1 klaagt terecht dat de in het bestreden vonnis opgenomen samenvatting van de door [eiseres] aangevoerde grieven en het daarop gebaseerde oordeel onbegrijpelijk zijn, nu de rechtbank heeft verzuimd een oordeel te geven omtrent de door [eiseres] aangevoerde grief I. Deze grief houdt in dat op de tijdelijke arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] de CAO's niet van toepassing waren, en dat [eiseres] haar verweer op dit punt niet heeft prijsgegeven. De rechtbank had dit betoog, naar het onderdeel terecht aanvoert, in haar oordeel moeten betrekken, nu dit voor de beoordeling van het geschil van belang is.

4.2 Onderdeel 2 klaagt dat de rechtbank heeft verzuimd een oordeel te geven over de stelling van [eiseres], dat de in de kilometervergoeding opgenomen salariscomponent hoger was dan het CAO-loon behorend bij schaal E-6, zodat in werkelijkheid van achterstallig loon geen sprake was. Zou de beslissing van de rechtbank op dit punt zó moeten worden begrepen, dat ook een afwijking van de CAO in voor de werknemer gunstige zin niet is toegestaan, dan is dit oordeel eveneens onbegrijpelijk, aldus het onderdeel, nu de rechtbank niet (mede) heeft vastgesteld, dat het bij de CAO om een standaard- en niet om een minimum-CAO gaat.

Het onderdeel kan echter wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het oordeel van de rechtbank in rov. 5.4, dat reeds omdat de kilometervergoeding aan de v.o.f. toekwam, niet gezegd kan worden dat tweemaal loon aan [betrokkene 1] zou worden betaald bij toewijzing van de loonvordering, welk oordeel in cassatie niet wordt bestreden, kennelijk mede strekt ter weerlegging van de in het onderdeel vermelde stelling.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Het middel is gericht tegen het in rov. 5.7 vermelde oordeel omtrent de in het incidentele appel aangevoerde grief met betrekking tot de door de kantonrechter toegepaste matiging van de verhoging van de loonvordering van [betrokkene 1]. Dit oordeel houdt in dat art. 7:625 BW aan de rechter een discretionaire bevoegdheid geeft de verhoging te beperken tot een zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen en dat de kantonrechter kennelijk omstandigheden aanwezig heeft geacht, die naar zijn oordeel op basis van billijkheid een matiging tot 10% rechtvaardigden, op welke grond de rechtbank de grief heeft verworpen.

5.2 Het middel klaagt terecht dat de rechtbank heeft verzuimd zelfstandig te beoordelen en te beslissen of, en zo ja in welke mate, de wettelijke verhoging wegens vertraging in de betaling van het loon diende te worden gematigd. Voor zover de rechtbank ervan mocht zijn uitgegaan, dat zij kon volstaan met een beoordeling van de vraag of de kantonrechter de onderhavige vordering kon matigen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan, heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien zij zelfstandig een oordeel daaromtrent diende te geven. Voor zover de rechtbank daarvan niet mocht zijn uitgegaan, is haar oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

5.3 Nu [eiseres] de bestreden beslissing van de rechtbank niet heeft uitgelokt en zich in cassatie te dien aanzien heeft gerefereerd, zal de Hoge Raad de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie reserveren tot de einduitspraak, waarbij de kosten zullen worden gebracht ten laste van de partij die daarbij in het ongelijk zal worden gesteld.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Groningen van 18 januari 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

in het principale beroep voorts:

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 376,36 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris;

in het incidentele beroep voorts:

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiseres] op € 68,07 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris, en aan de zijde van de curator op € 68,07 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 31 oktober 2003.