Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AJ0502

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2003
Datum publicatie
21-11-2003
Zaaknummer
C02/099HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AJ0502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

21 november 2003 Eerste Kamer nr. C02/099HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te Naarden, EISER tot cassatie, advocaat: mr. K.G.W. van Oven, t e g e n STICHTING ZIEKENHUIS GOOI NOORD, gevestigd te Blaricum, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 598
VR 2004, 82
JWB 2003/439
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 november 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/099HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

STICHTING ZIEKENHUIS GOOI NOORD, gevestigd te Blaricum,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 22 maart 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam. Na wijziging van eis heeft [eiser] gevorderd de Stichting te veroordelen tot betaling aan hem van ƒ 73.747,94, subsidiair een bedrag als de rechtbank in goede justitie zal menen te behoren, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 maart 1996, en meer subsidiair tot vergoeding van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De Stichting heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 juli 1998 een comparitie van partijen gelast. Ter gelegenheid van de op 7 oktober 1998 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank [eiser] op de voet van art. 46 lid 2 (oud) Rv. bij vonnis toegelaten tot bewijs. Na getuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 juni 1999 het gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van 15 juli 1998, 7 oktober 1998 en 23 juni 1999 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenarrest van 6 juli 2000 heeft het hof [eiser] in de gelegenheid gesteld tot het leveren van bewijs door getuigen. Na getuigenverhoor op 11 juni 2001 en 19 september 2001 heeft het Hof bij eindarrest van 20 december 2001 de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 11 juli 1992 opgenomen op de psychiatrische afdeling (hierna ook: PAAZ) van het ziekenhuis van de Stichting. Op het opnameformulier is bij de anamnese onder meer vermeld dat [eiser] suïcidale gedachten had en bekend was met spierdystrofie. In de decursus is op 15 juli 1992 door de arts aangetekend: "Geen suïcidale uitingen, geen duidelijke cognitieve stoornissen."

(ii) In de vroege ochtend van 1 augustus 1992 is [eiser] uit het vanaf de ingang meest rechtse raam van de rook-huiskamer van de PAAZ gesprongen en op een lager gelegen dak neergekomen. Bij zijn val heeft [eiser] een aantal fracturen opgelopen. Daaraan is hij geopereerd, in verband waarmee hij tot 24 december 1992 heeft verbleven op de afdeling Chirurgie van het ziekenhuis.

(iii) Op 30 juli 1992 had [eiser]s echtgenote het verplegend personeel gewaarschuwd dat naar haar oordeel sprake was van een verhoogde kans op suïcide, waarop werd toegezegd dat extra zorg aan [eiser] zou worden besteed. Voorafgaand aan zijn val was [eiser] onrustig en bang.

(iv) De rook-huiskamer van de PAAZ was voorzien van afsluitbare ramen die slechts met een speciale sleutel geopend konden worden.

3.2 Aan zijn hiervoor onder 1 vermelde vordering tot schadevergoeding heeft [eiser] in eerste aanleg - naast het in cassatie niet meer aan de orde zijnde verwijt dat onvoldoende toezicht op hem is gehouden - ten grondslag gelegd dat de ramen van de kamer waarin hij zich bevond toen hij naar buiten sprong niet goed, door middel van een beveiligde sluiting, waren afgesloten. De Stichting, met [eiser] van oordeel dat de ramen van een PAAZ deugdelijk afsluitbaar dienen te zijn, heeft zich onder meer verweerd met het betoog dat [eiser] het slot van het desbetreffende raam heeft geforceerd "door een overmatige kracht te ontwikkelen". In verband met a) het in die fase van de procedure nog door [eiser] ingenomen standpunt dat van forceren geen sprake was geweest, maar dat hij uit een raam was gesprongen dat niet van beveiligde sluitingen was voorzien en b) het tussen partijen vaststaande feit dat de rook-huiskamer voorzien was van afsluitbare ramen die slechts met een speciale sleutel geopend konden worden, heeft de rechtbank [eiser] toegelaten te bewijzen dat hij uit het raam van een andere kamer dan de rook-huiskamer is gesprongen en dat dat raam geen beveiligde sluiting had. In haar eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] in dat bewijs niet was geslaagd: niet was komen vast te staan dat [eiser] uit het raam van een andere kamer dan de rook-huiskamer was gesprongen, en - voorzover [eiser] alsnog het standpunt zou innemen dat het om een raam in die rook-huiskamer ging dat niet van een beveiligde sluiting was voorzien - overigens ook niet dat het raam waaruit [eiser] was gesprongen geen beveiligde sluiting had. "Uit de omstandigheid dat het slot nadien niet bleek te functioneren", aldus de rechtbank, "kan niet worden afgeleid dat de sluiting voorafgaand aan [eiser]s sprong zodanig ondeugdelijk is geweest dat niet meer van een beveiligde raamsluiting kan worden gesproken." Omdat ten slotte evenmin kon worden gezegd dat de Stichting verwijtbaar onvoldoende toezicht op [eiser] had gehouden, heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

3.3 In hoger beroep heeft [eiser] een tweetal grieven aangevoerd. Met zijn eerste grief keerde hij zich tegen de hem verleende bewijsopdracht; zijn tweede grief was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de omstandigheid dat het slot nadien niet bleek te functioneren niet kan worden afgeleid dat de sluiting voorafgaand aan [eiser]s sprong zodanig ondeugdelijk is geweest dat niet meer van een beveiligde raamsluiting kan worden gesproken. Het hof heeft [eiser] toegelaten te bewijzen dat het desbetreffende raam van de rook-huiskamer vóór de sprong niet deugdelijk was afgesloten. Het heeft vervolgens, na in zijn eindarrest onder meer de navolgende verklaring van de getuige [betrokkene 1], hoofd techniek van de Stichting, te hebben aangehaald:

"Nadat [eiser] uit het raam is gesprongen, is door een monteur geconstateerd dat de sluiting van dat raam niet functioneerde. We hebben geconstateerd dat de vergrendelingspal, ook wel blokkeringsstaafje genoemd, die wordt bediend door de sleutel, was gebroken. Als die pal gebroken is, is het raam niet meer op slot te doen. Die pal kun je alleen kapot krijgen als je de hendel van de sluiting met kracht beweegt en, zo gezegd, door de vergrendeling heen drukt. Je moet echt willens en wetens kracht zetten wil je het slot kunnen forceren. Mij is het wel gelukt, maar het is me ook wel eens niet gelukt."

geoordeeld dat [eiser] niet in dit bewijs geslaagd is, dat voorts niet is komen vast te staan dat [eiser] niet in staat was of kon zijn geweest de desbetreffende sluiting te forceren en dat daarom de grieven niet tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank konden leiden.

3.4 Ter toelichting op zijn tweede grief heeft [eiser] in paragraaf 3 van zijn memorie van grieven aangevoerd a) dat het slot defect was voordat hij het raam opende, maar daarnaast ook b) dat het slot in die zin ondeugdelijk was dat het, nu [eiser] ondanks zijn verminderde spierkracht het met de speciale sleutel afgesloten raam met de hendel van het slot heeft kunnen openen, "van onvoldoende resistentie" was, althans bij een poging tot forceren niet de kracht van een normaal mens kon weerstaan.

3.5 Onderdeel 1 van het middel klaagt over onbegrijpelijkheid van 's hofs oordeel dat [eiser] het bewijs diende te leveren van "feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het desbetreffende raam van de rook-huiskamer vóór [eiser]s sprong niet deugdelijk was afgesloten". Anders echter dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, volgt uit het feit dat [eiser] naar buiten is gesprongen na het raam te hebben geopend nog niet dat het slot in enig opzicht ondeugdelijk was (en dus niet, zoals de Stichting stelt, door [eiser] is geforceerd "door een overmatige kracht te ontwikkelen"), zodat het onderdeel faalt.

3.6 In het licht van de hiervoor in 3.4 onder b) weergegeven, door [eiser] in hoger beroep mede aan zijn vordering ten grondslag gelegde stelling dat de "resistentie" van het slot onvoldoende was alsmede van de hiervoor onder 3.3 aangehaalde verklaring van de getuige [betrokkene 1] dat hij het slot wel eens heeft weten te forceren door "willens en wetens" kracht te zetten, is 's hofs oordeel, dat de rechtbank de vordering van [eiser] terecht heeft afgewezen, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dit geldt zowel in het geval dat het hof in genoemde verklaring van [betrokkene 1] niet heeft gelezen dat het slot te forceren was, mits maar "willens en wetens" kracht werd gezet met de hendel, als in het geval dat in het bestreden oordeel besloten ligt dat de Stichting volgens het hof niet kan worden verweten dat het slot door een mens van normale sterkte te forceren was. De hierop gerichte klachten van de onderdelen 2 en 3 zijn dus gegrond.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 20 december 2001;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.605,63 in totaal, waarvan € 2.512,63 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 93,-- aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 21 november 2003.