Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AI0872

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-11-2003
Datum publicatie
24-11-2003
Zaaknummer
1381
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AI0872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 1381 14 november 2003 AB in de zaak van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat) waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage, eiser tot cassatie, advocaat: mr. H.A. Groen, tegen 1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], 3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats], 4. [Verweerder 4],

wonende te [woonplaats], verweerders in cassatie, advocaat: mr. J.P. van den Berg, en tegen 5. [Verweerder 5], wonende te [woonplaats], mede verweerder in cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga. 1. Geding in feitelijke instantie...

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 129
JWB 2004/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1381

14 november 2003

AB

in de zaak van

de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Verkeer en Waterstaat)

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

tegen

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerster 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Verweerder 4],

wonende te [woonplaats],

verweerders in cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg,

en tegen

5. [Verweerder 5],

wonende te [woonplaats],

mede verweerder in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. De Staat heeft bij exploten van 10 en 16 november 2000 verweerders in cassatie onder 1-4 (hierna: [verweerder] c.s.) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van een in de exploten nader omschreven gedeelte van de Hogesnelheidslijn-Zuid, met bijkomende werken, en van de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (rijksweg 16), met bijkomende werken, in de gemeenten Moerdijk en Drimmelen, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten name van de Staat en ten algemenen nutte van een in de exploten omschreven nader omschreven gedeelte, groot 00.83.45 ha, van het perceel bouwgrond, kadastraal bekend Gemeente Zevenbergen, sectie [...] nummer [001] ter grootte van 43.73.40 ha, waarvan [verweerder] c.s. zijn aangewezen als eigenaren.

1.2. Bij vonnis van 9 januari 2001, verbeterd bij vonnis van 30 januari 2001, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, de aan [verweerder] c.s. en verweerder in cassatie onder 5 (hierna: [verweerder 5]), die pachter was van het onteigende, te betalen voorschotten op de toe te kennen schadeloosstellingen bepaald en deskundigen benoemd. Op 11 juni 2001 zijn deze vonnissen ingeschreven in de openbare registers.

1.3. Bij vonnis van 29 mei 2001 heeft de Rechtbank [verweerder 5] als tussenkomende partij in het geding toegelaten.

1.4. Bij het thans bestreden vonnis van 10 december 2002 heeft de Rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de aan [verweerder] c.s. verschuldigde schadeloosstelling op € 28.917,14 en de aan [verweerder 5] verschuldigde schadeloosstelling op € 28.588,15 vastgesteld. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. De Staat heeft tegen het vonnis van 10 december 2002 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van onderdeel 1 en tot referte ten aanzien van onderdeel 2. [verweerder 5] heeft geconcludeerd tot referte ten aanzien van onderdeel 1 en tot verwerping van onderdeel 2.

2.4. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.

2.5. De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 11 juli 2003 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank en tot verwijzing van de zaak naar een gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Onteigend is een gedeelte ter grootte van 00.83.45 ha van een perceel bouwland dat voor de onteigening 43.73.40 ha groot was. De Rechtbank heeft de deskundigen gevolgd in hun visie dat het overblijvende deel van het perceel als gevolg van de onteigening, ook na effectuering van de nadien tussen de Staat en [verweerder] c.s. gesloten ruilovereenkomst, door vormverslechtering een waardevermindering ondergaat ten bedrage van f 22.000. De deskundigen hadden in hun rapport laten weten dat zij bij hun taxatie van de waardevermindering ervan zijn uitgegaan dat alleen de feitelijke kavel (± 13 ha) waarvan het onteigende deel uitmaakte, enige waardevermindering heeft ondergaan, dat de vorm van deze kavel voorheen "perfect" was en als gevolg van de onteigening enigermate verslechterd is en dat zij de waardevermindering van deze kavel geschat hebben op ongeveer 3%, ofwel 3% x 13 ha x f 50.000 = (afgerond) f 22.000. De Staat heeft daartegen aangevoerd, en herhaalt dat bezwaar in subonderdeel 1.2 van het cassatiemiddel, dat ter bepaling van de in artikel 41 van de Onteigeningswet bedoelde mindere waarde die voor niet onteigende goederen van de onteigende het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van het verlies van zijn goed, in ieder geval onderzocht dient te worden wat de werkelijke waarde van het geheel (het onteigende en het overblijvende tezamen) vóór de onteigening is, opdat deze vervolgens kan worden vergeleken met de som van de werkelijke waarde van het onteigende en de werkelijke waarde van het overblijvende na onteigening. De Rechtbank heeft dit bezwaar verworpen omdat "het overblijvende perceelsgedeelte, evenals de door de deskundigen getaxeerde feitelijke kavel een beduidend ongunstigere vorm heeft dan vóór de onteigening."

3.2. De klacht van dit subonderdeel is gegrond. Alleen indien de hiervoor bedoelde som lager is dan de werkelijke waarde van het geheel vóór de onteigening, is plaats voor vergoeding wegens waardevermindering van het overblijvende. Nu uit het rapport van de deskundigen en het mede daarop gebaseerde oordeel van de Rechtbank omtrent de waardevermindering van het overblijvende blijkt dat daaraan geen onderzoek naar de werkelijke waarde van het geheel ten grondslag ligt, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 41 van de Onteigeningswet. Het onderdeel behoeft voor het overige geen behandeling meer.

3.3. Met betrekking tot de aan [verweerder 5] toe te kennen schadeloosstelling wegens het verlies van de onteigende pachtgrond zijn de deskundigen ervan uitgegaan dat [verweerder 5], nu er nabij zijn bedrijf geen pachtgrond voorhanden is, binnen drie jaar na de inschrijving van het onteigeningsvonnis op een afstand van niet meer dan vijf kilometer van perceel [...] [001] vervangende grond zal aankopen. Deze aankoop zal volgens de deskundigen door [verweerder 5] als onderdeel van een meer omvangrijke grondaankoop van ongeveer 5 ha plaatsvinden. Hoewel het verlies van het onteigende de continuïteit van het bedrijf van [verweerder 5], met een bedrijfsoppervlakte van ongeveer 85 ha, niet direct in gevaar brengt en de kosten in verband met aankoop van vervangende grond hoger uitkomen dan de inkomensschade in geval van gedeeltelijke liquidatie is het, aldus de deskundigen, voor een gezond agrarisch bedrijf van belang het areaal grond te behouden en, indien mogelijk, uit te breiden. Hiertegen heeft de Staat onder meer het bezwaar aangevoerd dat een redelijk handelend agrariër met 85 ha (deels gepachte, deels eigen) grond geen vervangende grond zal aankopen als hij een relatief klein gedeelte, 00.83.45 ha, pachtgrond verliest, omdat de met die aankoop samenhangende kosten niet opwegen tegen de baten. Te dien aanzien heeft de Rechtbank overwogen dat zij met de deskundigen meent dat, hoewel gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van [verweerder 5] goedkoper is dan het aankopen/pachten van vervangende grond, een redelijk handelend agrariër op zoek zal gaan naar vervangende grond, omdat het voor hem, veelal om andere dan louter kortetermijn-bedrijfseconomische redenen, aantrekkelijk is om zijn bedrijfsareaal op peil te houden of uit te breiden. De Rechtbank heeft vervolgens bij de berekening van de aan [verweerder 5] toekomende schadeloosstelling in het voetspoor van de deskundigen de aankoop van vervangende grond drie jaar na de peildatum als uitgangspunt genomen.

3.4. Voorzover subonderdeel 2.1 betoogt dat de omstandigheid dat het voor een redelijk handelend agrariër aantrekkelijk is om zijn bedrijfsareaal op peil te houden of uit te breiden om andere dan louter kortetermijn-bedrijfseconomische redenen, onvoldoende redengevend is voor de keuze van de Rechtbank voor aankoop van vervangende grond als grondslag voor de berekening van de pachtersschade, is het gegrond. De Rechtbank had onder ogen moeten zien of het in de rede ligt dat een pachter als [verweerder 5], die zijn bedrijf uitoefent op ongeveer 85 ha, als redelijk handelend ondernemer ter vervanging van een door onteigening verloren stuk pachtgrond van 00.83.45 ha vervangende grond zou aankopen en daarbij in aanmerking moeten nemen wat die pachter op grond van zakelijke overwegingen zal besluiten. Hoewel daarbij ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen, kan in deze zakelijke overwegingen de verhouding tussen het bedrag van de voor de aankoop van de vervangende grond te verrichten investering en de meerwinst die van de exploitatie van die vervangende grond valt te verwachten niet buiten beschouwing blijven. Tegen deze achtergrond behoefde de keuze van de Rechtbank nadere motivering.

3.5. De omstandigheid dat de aankoop door [verweerder 5] van de vervangende grond door de Rechtbank gedacht wordt als onderdeel van een meer omvangrijke grondaankoop van ongeveer 5 ha nu het voor een redelijk handelend agrariër, veelal om andere dan louter kortetermijn-bedrijfseconomische redenen, aantrekkelijk is om zijn bedrijfsareaal op peil te houden of uit te breiden, kan de bedoelde keuze van de Rechtbank niet genoegzaam motiveren, reeds omdat het door de Rechtbank veronderstelde verlangen van een redelijk handelend agrariër om zijn bedrijfsareaal door middel van aankoop van land uit te breiden niet zonder meer in verband kan worden gebracht met het verlies van een veel kleiner stuk pachtgrond ten gevolge van onteigening. Ook in zoverre slaagt subonderdeel 2.1.

3.6. Subonderdeel 2.2 heeft betrekking op het tijdens de pleidooien voor de Rechtbank door de Staat ingenomen standpunt dat, indien al ervan wordt uitgegaan dat [verweerder 5] op zoek gaat naar vervangende grond, het in de rede ligt dat hij grond zal gaan pachten, omdat de met die oplossing gemoeide investeringen lager zijn dan die van aankoop van vervangende grond. Daarbij heeft de Staat aangevoerd dat een bepaalde zoektijd hem redelijk voorkomt, hoewel er in de omgeving van het bedrijf van [verweerder 5] voldoende pachtgronden aanwezig zijn en de Staat zelf beschikte over twee stukken grond die eventueel door [verweerder 5] zouden kunnen worden gepacht. De Rechtbank heeft dit standpunt verworpen omdat de Staat volgens haar onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de nabijheid van het bedrijf van [verweerder 5] op de peildatum pachtgrond beschikbaar was. Terecht klaagt het subonderdeel dat de Rechtbank hiermee het standpunt van de Staat niet kon afdoen, nu zij enerzijds uitging van de aankoop van vervangende grond binnen een periode van drie jaar, terwijl zij anderzijds de mogelijkheid van pacht van vervangende grond verwierp omdat zij niet aannemelijk gemaakt achtte dat er op de peildatum pachtgrond beschikbaar was. De in dit subonderdeel besloten liggende motiveringsklacht is in zoverre eveneens gegrond. Het subonderdeel behoeft voor het overige geen behandeling meer.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het bestreden vonnis van de Rechtbank te Breda van 10 december 2002;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest;

veroordeelt [verweerder] c.s. en [verweerder 5] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 731,98 aan verschotten en € 1590 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer F.B. Bakels in het openbaar uitgesproken op 14 november 2003.