Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AI0351

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
C03/103HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AI0351
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

31 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C03/103HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE STAAT DER NEDERLANDEN, gevestigd te 's-Gravenhage, EISER tot cassatie, advocaat: mr. G. Snijders, t e g e n [Verweerder], thans verblijvende in de penitentiaire inrichting De Dordtse Poorten te Dordrecht, VERWEERDER in cassatie, advocaten: mrs. J.A.M.A. Sluysmans en G.C.W. van der Feltz. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 398
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 562
NJ 2005, 196 met annotatie van E.A. Alkema
RvdW 2003, 170
JWB 2003/414
NTM/NJCM-bull. 2004, p. 49 met annotatie van E. Myjer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2003

Eerste Kamer

Nr. C03/103HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerder],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting De Dordtse Poorten te Dordrecht,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mrs. J.A.M.A. Sluysmans en G.C.W. van der Feltz.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 6 februari 2003 eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd de Staat te bevelen om de verdere tenuitvoerlegging van het ten aanzien van [verweerder] door het gerechtshof te 's-Gravenhage op 11 februari 1997 gewezen arrest onmiddellijk te staken, door hem onmiddellijk in vrijheid te stellen en door af te zien van de executie van de aan [verweerder] gelegde geldboete.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 12 februari 2003 de vordering afgewezen.

Het vonnis van de voorzieningenrechter is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Partijen zijn op de voet van art. 398, aanhef en onder 2°, Rv. overeengekomen het hoger beroep over te slaan.

Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld en gelijktijdig het cassatiemiddel toegelicht. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en gelijktijdig zijn standpunt toegelicht.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 27 juni 2003 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

(i) [Verweerder] is bij (onherroepelijk geworden) arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 februari 1997 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en een geldboete van ƒ 1.000.000,--.

(ii) Op 27 september 1994 is [verweerder] geplaatst in de (aanvankelijk: Tijdelijke) Extra Beveiligde Inrichting (EBI) binnen de penitentiaire inrichting Nieuw Vosseveld te Vught.

(iii) Op 15 januari 2001 is [verweerder] overgeplaatst naar een gevangenis te Maastricht en ten tijde van de bestreden uitspraak was hij gedetineerd te Dordrecht. De datum van vervroegde invrijheidsstelling op grond van art. 15 Sr. zal vallen in de maand juni 2004.

(iv) Nadat [verweerder] tevergeefs bij de Nederlandse rechter had geklaagd over zijn detentieomstandigheden in de EBI, hebben hij en zijn familieleden op 19 november 1999 een klacht tegen het Koninkrijk der Nederlanden ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). In die klacht is, onder meer, gesteld dat tijdens het verblijf van [verweerder] in de EBI art. 3 EVRM is geschonden. Aan de klacht werd met name ten grondslag gelegd dat [verweerder] in de EBI, gelet op het zeer strenge regime in deze inrichting, de lange verblijfsperiode (ongeveer zes en een kwart jaar) en de wekelijkse (en dikwijls nog frequentere) visitaties aan het lichaam, een onmenselijke of op zijn minst vernederende behandeling heeft ondergaan.

(v) Op 4 februari 2003 (Case of [verweerder] and others v. the Netherlands, application no. 52750/99) heeft het EHRM de klacht op dit punt gegrond verklaard. Daartoe heeft het EHRM onder meer het volgende overwogen:

"73. In the present case, the Court is struck by the fact that Mr [verweerder] was submitted to the weekly stripsearch in addition to all the other strict security measures within the EBI. In view of the fact that the domestic authorities, through the reports drawn up by the Psychological Department of their Penitentiary Selection Centre, were well aware that Mr [verweerder] was experiencing serious difficulties coping with the regime, and bearing in mind that at no time during Mr [verweerder]'s stay in the EBI did it appear that anything untoward was found in the course of a stripsearch, the Court is of the view that the systematic stripsearching of Mr [verweerder] required more justification than has been put forward by the Government in the present case.

74. The Court considers that in the situation where Mr [verweerder] was already subjected to a great number of control measures, and in the absence of convincing security needs, the practice of weekly stripsearches that was applied to Mr [verweerder] for a periode of more than six years diminished his human dignity and must have given rise to feelings of anguish and inferiority capable of humiliating and debasing him.

Accordingly, the Court concludes that the combination of routine stripsearching with the other stringent security measures in the EBI amounted to inhuman or degrading treatment in violation of Article 3 of the Convention. There has thus been a breach of this provision."

(vi) Het EHRM heeft op de voet van art. 41 EVRM aan [verweerder] "in respect of non-pecuniary damage" een tegemoetkoming van (ƒ 1.000,--) € 453,78 ("the full amount claimed by the applicants under this head") toegekend, naast een vergoeding van proceskosten.

(vii) De raadsman van [verweerder] heeft de Staat gesommeerd om [verweerder] onmiddellijk in vrijheid te stellen. De Staat (Minister van Justitie) heeft geantwoord dat aan dit verzoek geen gevolg zal worden gegeven.

3.2.1 [Verweerder] heeft gevorderd dat aan de Staat wordt bevolen de verdere tenuitvoerlegging van het ten aanzien van [verweerder] gewezen arrest in de Nederlandse strafzaak onmiddellijk te staken, door hem onmiddellijk in vrijheid te stellen en door af te zien van de executie van de aan [verweerder] opgelegde geldboete.

3.2.2 De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Hij heeft - samengevat - geoordeeld dat [verweerder] op grond van art. 41 EVRM aanspraak heeft op rechtsherstel ter zake van deze, niet meer ongedaan te maken, schending van art. 3 EVRM en dat de Staat onrechtmatig handelt wanneer een passende vorm van herstel uitblijft (rov. 3.3). Volgens de voorzieningenrechter kan in beginsel het afzien van verdere tenuitvoerlegging van aan [verweerder] opgelegde straffen als een passende vorm van herstel worden gezien. Aan dit herstel staat, aldus de voorzieningenrechter, niet in de weg dat onherroepelijk opgelegde straffen in beginsel ten uitvoer moeten worden gelegd (rov. 3.5). Hij vervolgt: een genoegdoening die de vrijheid van [verweerder] betreft is, gelet op de aard van de verdragsschending die hier is gegeven, een passender, en in elk geval eerder in aanmerking komende, vorm van herstel dan verval van het openstaande deel van de geldboete (rov. 3.8). De voorzieningenrechter heeft ten slotte geoordeeld dat bij gebreke van een duidelijke maatstaf de omvang van het rechtsherstel dient te worden vastgesteld naar billijkheid en dat de ernst van de schending in dit geval een vermindering van de strafduur met een periode gelijk aan 10 procent van het aantal dagen dat [verweerder] aan het regime in de EBI onderworpen is geweest, rechtvaardigt. Volgens de voorzieningenrechter zou de detentie van [verweerder] daarom omstreeks november 2003 dienen te eindigen (rov. 3.9).

3.2.3 Partijen zijn op de voet van art. 398, aanhef en onder 2°, Rv overeengekomen het hoger beroep over te slaan.

3.3 Onderdeel 1(a en b) klaagt in de eerste plaats met juistheid dat de voorzieningenrechter in rov. 3.3 ten onrechte ervan uitgaat dat art. 41 EVRM aan [verweerder] (een zelfstandige) aanspraak geeft op rechtsherstel die hij zo nodig voor de nationale rechter kan opeisen. Art. 41 EVRM kent een bevoegdheid toe aan het EHRM, namelijk om een billijke genoegdoening aan de benadeelde toe te kennen doch geeft aan de klager niet een zelfstandige aanspraak op rechtsherstel.

Het slagen van deze klacht kan echter niet tot cassatie leiden omdat op de Staat op grond van het EVRM de verplichting rust te zorgen voor rechtsherstel. De Staat is daarbij in beginsel vrij in de wijze waarop hij aan deze verplichting gevolg geeft doch deze vrijheid houdt niet in dat hij vrij is in de wijze waarop het herstel plaatsvindt en dat de nationale rechter daarover geen beslissing zou kunnen nemen, doch betekent slechts dat binnen de nationale rechtssfeer naar een passende vorm van herstel moet worden gezocht (vgl. EHRM 31 oktober 1995, serie A 330-B, rov. 34 (Papamichalopoulos e.a./Griekenland) en EHRM 13 juli 2000, nrs. 39221/98 en 41963/98, RJD 2000-VIII, blz. 471 e.v. (Scozzari e.a./Italië)).

De klacht dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de wijze van schadeloosstellen voor de door het EHRM geconstateerde schending in beginsel is overgelaten aan het nationale recht van de verdragsstaten en [verweerder] derhalve alleen aanspraak kan maken op de schadeloosstelling die hem naar Nederlands recht toekomt, faalt. De voorzieningenrechter heeft immers in rov. 3.2 en 3.3 geoordeeld dat de Staat jegens [verweerder] onrechtmatig handelt doordat jegens hem, naar het EHRM heeft vastgesteld, art. 3 EVRM is geschonden en de Staat jegens hem onrechtmatig handelt als een passende vorm van herstel uitblijft. Naar nationaal recht kan [verweerder] dan aanspraak maken op schadevergoeding. Deze schadevergoeding kan ook in een andere vorm dan in betaling van een geldsom worden toegekend, in het geval van de onderhavige door het EHRM geconstateerde schending van art. 3 EVRM bij de tenuitvoerlegging van de detentie ook in de vorm van staking van de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf. Deze oordelen zijn juist. Het bevel tot staking van de tenuitvoerlegging moet dan worden gezien als een in de bijzondere omstandigheden van dit geval passende vorm van schadevergoeding in natura.

3.4.1 Onderdeel 2 is met een rechtsklacht gericht tegen rov. 3.5 van het vonnis, waarin het betoog van de Staat wordt verworpen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken, met de daarmee samenhangende plicht voor de Staat om uitspraken van de strafrechter ten uitvoer te leggen, zich tegen de door [verweerder] gevorderde vorm van rechtsherstel verzet. De klacht strekt voorts ten betoge dat de onderhavige schending van art. 3 EVRM geen uitzondering op dit stelsel rechtvaardigt; deze schending betreft immers - anders dan in het geval dat aan de orde was in HR 1 februari 1991, nr. 14001, NJ 1991, 413 - niet de uitspraak waarbij de straf is opgelegd of de wijze waarop die uitspraak is totstandgekomen. Daaraan doet niet af, aldus het onderdeel, dat met de mogelijkheid van een schending als de onderhavige noch in de wetgeving noch in de rechtspraak rekening zou zijn gehouden.

3.4.2 Voorzover de Staat betoogt dat, wanneer een strafvonnis eenmaal onherroepelijk is geworden geen (enkele) uitzondering gemaakt mag worden op de verplichting van het Openbaar Ministerie het vonnis uit te voeren, gaat dat betoog niet op gelet op hetgeen is overwogen in rov. 3.2 van voormeld arrest, alwaar in geval van schending van de in art. 6 EVRM neergelegde rechten een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen wordt aanvaard in geval een uitspraak van het EHRM, waarmee de strafrechter bij zijn beslissing geen rekening had kunnen houden, noopt tot de slotsom dat die beslissing is totstandgekomen op zodanige wijze dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak in de zin van art. 6 lid 1, eerste zin, EVRM.

De Staat betoogt met juistheid dat een verschil bestaat tussen enerzijds de situatie waarin de schending de rechterlijke uitspraak zelf betreft of de daaraan voorafgegane procedure en anderzijds de situatie, zoals in het onderhavige geval, waarin de schending daarmee geen verband houdt. Dit verschil betekent echter niet dat de voorzieningenrechter bij zijn oordeel in 3.5 van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. De verdragsschending is hier begaan in het kader van de tenuitvoerlegging van de straf en het herstel kan dan eveneens gezocht worden in het kader van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de door het EHRM geconstateerde schending van art. 3 EVRM en het gegeven dat een bij de wet voorzien specifiek rechtsmiddel met het oog op het hiervoor in 3.3 bedoelde rechtsherstel ontbreekt, kan hier een uitzondering op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen worden aanvaard.

3.5 De rechtsklacht van onderdeel 3 faalt om de hiervoor in 3.4.2 aangegeven reden.

De motiveringsklacht van onderdeel 3 faalt omdat het oordeel van de voorzieningenrechter in rov. 3.8, dat een genoegdoening die eisers vrijheid betreft, gelet op de aard van de verdragsschending, een passender, en in elk geval eerder in aanmerking komende, vorm van herstel is dan verval van het openstaande deel van de geldboete, niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft.

3.6 Onderdeel 4 keert zich tevergeefs tegen het in rov. 3.7 vervatte oordeel dat het toestaan van een verlichting van het regime voor [verweerder] bij de verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geen toereikende vorm van herstel is en dat de mogelijkheid van gratie slechts betreft (het vragen van) een gunst en niet de verwerkelijking van een recht, waarvan hier sprake is. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige gaat het hier om een waardering van feitelijke aard, die in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht, en die niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering behoeft.

3.7 Onderdeel 5 strekt ten betoge dat het oordeel in rov. 3.9, dat de ernst van de onderhavige schending een vermindering van de strafduur rechtvaardigt met een periode gelijk aan 10 procent van het aantal dagen dat [verweerder] aan het regime in de EBI onderworpen is geweest, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel klaagt echter niet over het daaraan voorafgaande oordeel in rov. 3.9 dat een vaste maat voor de "verrekening" met de nog resterende duur van de vrijheidsstraf van [verweerder] ontbreekt en dat in de bestaande wetgeving daarvoor geen relevante aanknopingspunten zijn te vinden. Derhalve faalt de rechtsklacht. De motiveringsklacht faalt eveneens omdat de voorzieningenrechter de hoogte van de compensatie heeft vastgesteld naar billijkheid. Het bestreden oordeel is niet onbegrijpelijk en de voorzieningenrechter was niet gehouden tot een nadere motivering.

3.8 Onderdeel 6 heeft geen zelfstandige betekenis.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 316,47 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 31 oktober 2003.