Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AH9922

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-10-2003
Datum publicatie
21-10-2003
Zaaknummer
00119/03
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AH9922
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. ’s Hofs oordeel dat manipulatie van telefoongesprekken niet aannemelijk is geworden, is niet onbegrijpelijk. 2. ’s Hofs beoordeling van de bruikbaarheid van de vertalingen van telefoontaps geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 3. De schriftelijke vertaling door een tolk is geen verklaring in de zin van art. 344.3 Sv. Wel kan de vertaalde tekst een verklaring bevatten van een anoniem persoon waarvoor de eisen van art. 344.3 Sv gelden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 344, geldigheid: 2003-10-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 399
NBSTRAF 2003/399
JOL 2003, 538

Uitspraak

21 oktober 2003

Strafkamer

nr. 00119/03

SCR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 juli 2002, nummer 20/000493-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1956, ten tijde van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vossenveld" te Vught.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 9 februari 2001 - de verdachte ter zake van 1. "medeplegen van moord", 2. "poging om een ander door beloften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het medeplegen van moord te begaan, meermalen gepleegd", 3. "medeplegen van gijzeling", 4. "om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen", 5. "poging om een ander door misbruik van gezag en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het medeplegen van moord te begaan, meermalen gepleegd" en 6. "als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen wapen.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, en mr. G.P.M.F. Mols, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van mr. Van der Plas op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Bespreking van de middelen voorzover deze betreffen de manipulatie van voor het bewijs gebruikte afgeluisterde telefoongesprekken

3.1. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking voorzover deze betrekking hebben op het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gevoerde verweer dat de afgeluisterde telefoongesprekken, waarvan zich uitgewerkte schriftelijke vertalingen in het dossier bevinden en die door het Hof tot het bewijs zijn gebezigd, zijn gemanipuleerd.

3.2. Het Hof heeft het hiervoor bedoelde verweer verworpen en daartoe in het verkorte arrest als volgt overwogen:

"ad f. Ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de telefoongesprekken zijn gemanipuleerd. De vaststelling dat het technisch mogelijk is om telefoontaps te manipuleren is onvoldoende om aannemelijk te achten dat dit ook is gebeurd. Dit laatste is gelet op de praktische uitvoerbaarheid van manipulatie van een zeer grote hoeveelheid gesprekken als in de onderhavige strafzaak ook onwaarschijnlijk.

Door drs. A.P.A. Broeders is uitgebreid onderzoek verricht naar manipulatie van telefoontaps. Hij concludeerde in zijn rapport d.d. 22 december 2000 dat het uitgevoerde onderzoek naar de aard van de door de verdediging ten aanzien van de onderzochte opnamen genoemde onregelmatigheden geen steun geeft aan de stelling dat deze opnamen op enigerlei wijze zijn gemanipuleerd en dat ook overigens bij het overwegend auditieve onderzoek van de onderzochte opnamen geen indicaties zijn aangetroffen die steun geven aan de stelling dat er van manipulatie sprake zou zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de verdediging aan drs. A.P.A. Broeders vele vragen gesteld. Hij heeft bij die gelegenheid volhard in zijn conclusie als deskundige dat hij bij het onderzoek van de door de verdediging geselecteerde gesprekken geen indicaties heeft gevonden voor manipulatie van die gesprekken. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven te twijfelen aan de deskundigheid van drs. A.P.A. Broeders of aan de juistheid van zijn bevindingen. Voor wat betreft de via het digitale systeem afgeluisterde telefoongesprekken heeft ook het hoofd van de tapkamer te Apeldoorn I.A.M. Dieker verklaard dat hem van manipulatie van gesprekken niet is gebleken.

Een door de verdediging uitgelicht gesprek van 1 december 1997 is op verzoek van de advocaat-generaal nader onderzocht door drs. Broeders, die met betrekking tot zijn bevindingen op 10 april 2002 een rapport heeft uitgebracht. Ook dit onderzoek leverde geen enkele aanwijzing op voor enigerlei vorm van manipulatie of montage. In voornoemde onderzoeken zijn de opmerkingen van de verdediging over tikken en achtergrondgeluiden en dergelijke betrokken. Gelet op de bevindingen van

drs. A.P.A. Broeders, is het ontbreken van contranummers ook onvoldoende om manipulatie aan te nemen.

Dat Nederland geen controle zou hebben over het functioneren van de tapkamers doordat er in Nederland geen kennis bestaat van de uit Israël afkomstige software is, voorzover dit al juist zou zijn, onvoldoende om aan te nemen dat er met telefoontaps is gemanipuleerd. Uit het onderzoek van de afgeluisterde telefoongesprekken zijn voor die veronderstelling, zoals gezegd, geen feitelijke aanwijzingen gevonden en de inhoud van de gesprekken komt ook veelal overeen met gebeurtenissen die zich in werkelijkheid hebben afgespeeld.

In dit kader verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent bij de bijzondere overwegingen onder punt 10 door het hof wordt overwogen."

(blz. 15-16 van het verkorte arrest)

"10.2 De manipulatie van de getapte telefoongesprekken

Door de raadslieden is -kort en zakelijk weergegeven- gesteld dat als vaststaand moet worden aangenomen dat bepaalde taps van telefoongesprekken zijn gemanipuleerd door derden van buitenaf, zodat iedere betrouwbaarheid van die taps cq. die tapverbalen ontbreekt, weshalve de taps cq. die tapverbalen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Het hof heeft kennisgenomen van alle vormen van rapportage en overige informatieverstrekking, ingebracht zowel schriftelijk als mondeling ter zitting door het openbaar ministerie enerzijds en de verdediging anderzijds.

Het hof volgt deskundige drs. A.P.A. Broeders van het Nederlands Forensisch Instituut, hierna te noemen NFI, in zijn -meermalen herhaalde- conclusie dat het door het NFI uitgevoerde onderzoek naar de aard van de door de verdediging ten aanzien van de onderzochte opnamen genoemde onregelmatigheden geen steun geeft aan de stelling dat deze opnamen op enigerlei wijze zijn gemanipuleerd, terwijl ook overigens geen indicaties zijn aangetroffen die steun geven aan de stelling dat er van manipulatie sprake zou zijn.

Vooropgesteld moet worden dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt, in casu dit hof, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering.

In deze zaak is van de zijde van de verdediging uitvoerig, onder overlegging van talrijke stukken, aangevoerd dat de telefoontaps zijn gemanipuleerd.

Het hof volgt evenwel -als bovengemeld- de conclusies van deskundige Broeders c.q. het NFI met name om de navolgende redenen.

De deskundigheid van Broeders op het gebied van authenticiteit- en integriteitonderzoek van audio-opnamen wordt door hemzelf uitvoerig en gedocumenteerd aangetoond, met name in het aanvullend deskundigen rapport van het NFI van 18 juni 2002. De stelling van de verdediging als zou Broeders op deze relevante gebieden niet deskundig zijn wordt door het hof om deze reden verworpen.

Het hof gaat derhalve uit van de deskundigheid van Broeders ondermeer op de gebieden van authenticiteit- en integriteitonderzoek van audio-opnamen.

Daarenboven gaat het hof uit van de -door de verdediging betwiste- onafhankelijkheid van deskundige Broeders. Broeders verklaart -naar aanleiding van door de verdediging geponeerde andersluidende stellingen- uitvoerig over zijn onafhankelijkheid als deskundige in de eerder genoemde rapportage van het NFI van 18 juni 2002. Dienaangaande overweegt het hof, wellicht ten overvloede, dat Broeders deel uit maakt van het sedert vele jaren te goeder naam en faam bekend staande Nederlands Forensisch Instituut, voorheen bekend als het Gerechtelijk Laboratorium. Broeders treedt als deskundige in de in casu relevante gebieden veelvuldig op in zaken waarin de aan Broeders voorgelegde problematiek vergelijkbaar is met die van de onderhavige zaak.

Broeders heeft voorts in zijn rapportage duidelijk aangegeven op welke wijze het NFI de taps op manipulatie heeft onderzocht. Het onderzoek van het NFI heeft zich niet gericht op het aantonen van de mogelijkheid van manipulatie maar op de feitelijkheid van manipulatie. Van feitelijkheid van manipulatie is in het geheel, aldus het NFI cq. drs. Broeders niet gebleken. Naar het oordeel van het hof zijn daarmee door de verdediging opgeworpen stellingen omtrent de gevolgen die voortvloeien uit het niet geijkt zijn van de tapkamer en een al dan niet bestaande samenwerking tussen Turkse en Israëlische geheime diensten waardoor gemanipuleerd tapmateriaal via het Comverse-systeem in het onderhavige tapdossier terecht gekomen zou zijn en de overige in dit kader geponeerde stellingen, niet meer dan speculaties en derhalve zijn die stellingen voor de oordeelsvorming van het hof irrelevant.

Het hof acht de wijze waarop het onderzoek door het NFI is uitgevoerd zomede de rapportage daaromtrent adequaat en volledig.

Het hof is van oordeel dat de omschreven methoden van onderzoek betrouwbaar zijn. Bovendien is het hof van oordeel dat het NFI als geheel en drs. A.P.A. Broeders in het bijzonder in staat zijn deze methoden vakkundig toe te passen.

De verdediging heeft uitvoerig door verschillende personen onderzoek laten doen cq. rapporten laten opstellen omtrent de door henzelf gestelde manipulatie. Het hof oordeelt dat hetgeen de door de verdediging ingeschakelde personen ter informatie inbrengen, dan wel hetgeen overigens anderszins is gesteld of gebleken, niet af doet aan de hierboven genoemde resultaten van het onderzoek door het NFI cq. drs. A.P.A. Broeders. Gelet op de inhoud van de door de verdediging geëntameerde contra-expertise en de reactie van drs. A.P.A. Broeders daarop in zijn rapport van 18 juni 2002, acht het hof nader onderzoek over deze kwestie niet noodzakelijk

Daarmede stelt het hof vast dat niet is gebleken van enige manipulatie van telefoontaps, zomede dat de telefoontaps en de tapverbalen betrouwbaar zijn. De taps cq. de tapverbalen kunnen mitsdien tot het bewijs worden gebezigd. Het hof verwerpt dit verweer."

(blz. 19-20 van het verkorte arrest)

3.3. Het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat met de telefoongesprekken waarvan de schriftelijke vertalingen voor het bewijs zijn gebruikt, is gemanipuleerd, is van feitelijke aard en kan derhalve in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Blijkens zijn hierboven weergegeven overwegingen heeft het Hof de vraag of de door de verdediging aangeduide vorm van manipulatie met telefoontaps technisch mogelijk is, onderscheiden van de vraag of in deze zaak feitelijk sprake is geweest van zodanige manipulatie. Na uitgebreid onderzoek, waarin de verdediging de gelegenheid is geboden haar door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten uit te oefenen, welke mogelijkheid de verdediging ook heeft benut, heeft het Hof vastgesteld dat niet aannemelijk is geworden dat van manipulatie met de voor het bewijs gebruikte telefoongesprekken sprake is. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering. Derhalve falen de middelen voorzover daarin wordt geklaagd over dit oordeel van het Hof.

De overige in de middelen vervatte klachten met betrekking tot de gestelde manipulatie kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Bespreking van de middelen voorzover deze betreffen de vertaling van de afgeluisterde telefoongesprekken

4.1. De middelen lenen zich voorts voor gezamenlijke bespreking voorzover zij betrekking hebben op het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gevoerde verweer dat de door de tolken, die het politieteam in de onderhavige zaak hebben geassisteerd, schriftelijk uitgewerkte vertalingen van de afgeluisterde telefoongesprekken die door het Hof tot het bewijs zijn gebezigd, niet juist zijn.

4.2. Het Hof heeft het hiervoor bedoelde verweer verworpen en daartoe in het verkorte arrest als volgt overwogen, voorzover hier van belang:

"10.3 De vertalingen van de afgeluisterde telefoongesprekken

10.3.1 Over het belang van (de betrouwbaarheid van) de afgeluisterde telefoongesprekken bestaat in deze procedure geen verschil van inzicht.

Dit hof heeft al tijdens de regiezitting van inmiddels ruim een jaar geleden, namelijk d.d. 18 juli 2001, het volgende standpunt ingenomen: "Met betrekking tot het verzoek aangaande de opgenomen telefoongesprekken is het hof van oordeel dat de telefoongesprekken in de onderhavige zaak een zeer belangrijke rol spelen. Het zijn weliswaar niet de enige, maar wel de belangrijkste bewijsmiddelen en het is daarom noodzakelijk dat daaraan de nodige aandacht wordt besteed."

Ook de advocaat-generaal deelt deze visie. In zijn repliek benadrukt hij dat dit onderdeel van het pleidooi van de verdediging, te weten de vertalingen van de afgeluisterde telefoongesprekken, het hart van de strafvervolging raakt. Het is ook voor het openbaar ministerie volstrekt duidelijk dat het grootste deel van het bewijs in de strafzaak tegen de verdachte afkomstig is van afgeluisterde telefoongesprekken en dat de rechter van de betrouwbaarheid van de weergave van de essentie van die gesprekken moet kunnen uitgaan.

10.3.2 Het hof zal om die reden hierna ingaan op die betrouwbaarheid en daarbij een dubbele toets hanteren. Allereerst wordt ingegaan op de interne betrouwbaarheid, dat wil zeggen wordt een antwoord geformuleerd op de vraag of de vertalingen als zodanig voldoende kwaliteit hebben, en daarna wordt iets gezegd over de externe betrouwbaarheid, waarmee wordt getoetst, of datgene dat in de afgeluisterde gesprekken als werkelijkheid naar voren komt enige reflectie heeft in datgene, dat op basis van ander bewijsmateriaal zich ook in de buitenwereld als werkelijke gebeurtenissen heeft voorgedaan.

10.3.3 Voorafgaand nog een enkele opmerking over de mogelijkheden van verdachte om in de gelegenheid te zijn om zich tegen de tegen hem ingebrachte beschuldiging te verweren, meer in het bijzonder om de opgenomen gesprekken te mogen beluisteren van de originele banden, zonder dat daarbij andere personen aanwezig waren dan de verdachte zelf, een tolk en de advocaat van verdachte. Op een daartoe strekkend verzoek van de toenmalige raadsman van verdachte mr. Franken d.d. 10 september 1998 heeft de rechtbank op 30 september 1998 beslist, dat de verdachte en de verdediging de gesprekken mochten beluisteren in aanwezigheid van een tolk en een verbalisant, en dat van de opmerkingen van de verdachte naar aanleiding van de tapgesprekken proces-verbaal zou worden opgemaakt. De bedoeling was evident, namelijk dat de verdachte naar de banden kon luisteren, dat hem vervolgens de vertaling van de politietolken werd voorgehouden en dat hij vervolgens zijn commentaar zou kunnen geven. Van dat commentaar moest de politieman dan weer proces-verbaal opmaken. Deze beslissing van de rechtbank is door de rechter-commissaris neergelegd in een protocol d.d. 30 november 1998, waarvan in de pleitnota op pagina 23 en 24 de letterlijke tekst wordt weergegeven. Door de verbalisanten Vroom en De Bruin is telkens van de luister- en verhoorsessies in de EBI proces-verbaal opgemaakt (bijlage 6 bij repliek). Daaruit blijkt dat de Nederlandse tekst telkens voor de verdachte in het Turks werd vertaald en dat hij steevast geen antwoord wilde geven op de vraag of hij aan dit gesprek heeft deelgenomen en met wie hij heeft gesproken.

Verder betwist hij de vertaling zonder nader aan te geven op grond van welke inhoudelijke argumenten. Tijdens deze luistersessies was er telkens gelegenheid voor overleg tussen verdachte en diens raadsman. Volgens het proces-verbaal van verbalisant De Bruin d.d. 29 maart 2002 (bijlage 7 bij repliek) zijn er acht van zulke sessies geweest in de EBI. Uiteindelijk blijkt de verdachte zelf ervoor te kiezen niet meer te willen meewerken, omdat hij alleen nog maar door de rechter-commissaris persoonlijk wil worden gehoord. In opdracht van de rechter-commissaris worden aan verdachte dan op 2 februari 1999 en op 17 maart 1999 de bandjes met alle gesprekken ter beschikking gesteld.

Deze gang van zaken voldoet aan hetgeen in artikel 6 EVRM lid 1 (het recht op een fair process) en lid 3 sub a, b en e (het recht op een tolk en het recht op een zodanige vertaling van de beschuldiging en de grondslag daarvan, dat de beschuldigde zich hiertegen in redelijkheid kan verdedigen) is bepaald. De andersluidende conclusie van de verdediging wordt door het hof, dat overigens zelf ter terechtzitting heeft vastgesteld dat de verdachte heel goed wist waartegen hij zich moest verdedigen, niet gedeeld.

10.3.4 Het hof zal nu de (interne) betrouwbaarheid van de vertalingen onder de loep nemen.

10.3.5 Over de juistheid van de vertalingen is in deze procedure op goede gronden uitvoerig gedebatteerd. Zoals al gezegd het bewijsmateriaal bestaat voor 90% uit tapgesprekken en daarom is er alle reden uiterst kritisch naar de wijze van totstandkoming en de weergave van die gesprekken te kijken.

Het gaat om ongeveer 6000 op band verzamelde gesprekken in de Turkse taal, Koerdische taal en in de Engelse taal, welke gesprekken zijn gevoerd in een periode van ongeveer zes maanden. Dat houdt in dat er dagelijks (gemiddeld) tientallen gesprekken werden opgenomen en dat deze gesprekken in een hoog tempo deels verbatim en deels bij wijze van samenvatting in het Nederlands moesten worden omgezet. Dat gebeurde volgens de verklaring van de leider van het onderzoek IJzerman in die gevallen wanneer er naar het oordeel van het opsporingsteam sprake was van een cruciaal tapgesprek door drie tolken.

"In het dossier is ook te zien welke gesprekken door drie tolken zijn beluisterd en vertaald. In dat geval staan er onder het kopje "Invoerder" drie cijfers met daartussen schuine streepjes" (verklaring IJzerman ten overstaan van de rechter-commissaris op 11 en 12 maart 1999). Verder zegt de getuige IJzerman in diezelfde verklaring: "U vraagt mij hoe de tolken geselecteerd zijn. Allereerst worden alleen beëdigde tolken/vertalers ingezet. Verder moet het gaan om mensen die betrouwbaar zijn, in die zin dat ze niet aan derden informatie doorgeven over het onderzoek". En over de in de Engelse taal gevoerde gesprekken:

"De Engelse gesprekken zijn vertaald door een beëdigd tolk/vertaler die geen opsporingsambtenaar is." In een volgende verklaring laat de getuige IJzerman zich nog nader uit over de tolken die de Turks/Koerdische gesprekken hebben vertaald (verklaring IJzerman ten overstaan van de rechter-commissaris op 15 april 1999 en 25 mei 1999): "Er is gevraagd of de tolken het dialect van het Koerdisch dat in de tapgesprekken gesproken wordt, konden begrijpen. Alle drie de tolken hebben een gedegen kennis van het Koerdisch (Kurmanci). Er is ook aan de tolken gevraagd of zij de tapgesprekken begrepen. Verder hebben de tolken elkaar onderling gecontroleerd of ieder van hen het Kurmanci beheerst" en als reactie op de vraag hoe een vertaling/interpretatie van een tapgesprek tot stand komt: "Tapgesprekken worden als regel dagelijks uitgewerkt, meestal zo'n halve dag nadat de gesprekken gevoerd zijn. Soms worden ze real time uitgeluisterd, bijvoorbeeld bij een gijzeling, bij aansturing van een OT of kort voor de aanhouding van de verdachte. De uitwerking geschiedt door een tolk en een verbalisant gezamenlijk. De tolk is verantwoordelijk voor de vertaling. Hij stelt die vast aan de hand van de woorden die hij hoort in de context van de zin en de rest van het gesprek dat hij hoort en de context van wat hij hoort. Dit laatste kan zijn eerdere gesprekken. De verbalisant bepaalt mede of gesprekken letterlijk vertaald moeten worden of dat ze moeten worden samengevat. Hij is vooral belast met de interpretatie van de vertaling die door de tolk is vastgesteld. Hij doet dit mede aan de hand van informatie van buiten de tekst. Ik probeer u het duidelijk te maken aan de hand van het gesprek A1-1. Een tolk vertaalt dit gesprek. Heeft hij de vertaling vastgesteld dan wordt die later niet aangepast om een betekenis van het gesprek te krijgen die past bij later bekend geworden feiten. Bijvoorbeeld in het gesprek is sprake van het woord "tuin". Deze vertaling is al direct gegeven bij de eerste uitwerking van het gesprek en niet later nadat bekend werd dat iemand ([betrokkene 5]) vermoord was in een theetuin. In het teamoverleg wordt vervolgens gesproken over de betekenis van de vastgestelde vertaling. Dit gebeurt aan de hand van de tekst zelf en aan de hand van informatie van buiten de tekst. Wordt op een gegeven moment duidelijk dat een gesprek een cruciaal belang heeft dan wordt het gesprek door twee andere tolken opnieuw en afzonderlijk vertaald. Zij luisteren onafhankelijk van elkaar het gesprek uit, maken aantekeningen indien het gesprek van enige omvang is; vergelijken met zijn drieën hun vertaling; inventariseren de verschillen en stellen in het bijzijn van een opsporingsambtenaar, gedrieën de vertaling vast. Het is bij mijn weten bij het IRT Noord en Oost Nederland nooit voorgekomen dat de tolken er onderling niet uit konden komen."

In een aanvullend proces-verbaal d.d. 10 april 2002 (bijlage 9 bij repliek) wordt die deskundigheid nog eens nader geadstrueerd. Volgens hoofdinspecteur Huuskes, werkzaam bij het Kernteam Noord en Oost Nederland, geldt het volgende: "De afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, gevoerd in de Turkse en Koerdische taal, werden tijdens het onderzoek T-09 ([verdachte]) vertaald en uitgevoerd door drie tolken van Turks/Koerdische afkomst. De tolken 1, 2 en 3 hebben aldus een jarenlange ervaring als "taptolk" en werkten naast het Kernteam Noord en Oost Nederland ook als tolk voor andere instanties."

(...)

10.3.7 Omdat de verdachte met zijn verdediging bleef aandringen op een objectieve validatie van de door de taptolken verrichte werkzaamheden, heeft de rechter-commissaris nog gepoogd, gelet op het grote belang dat aan de betrouwbaarheid van de taps moet worden toegekend en gelet op het verweer dat de telefoontaps verkeerd vertaald zouden zijn, om een oplossing te vinden in de vorm van een afspraak tussen hemzelf, de toenmalige advocaat van verdachte en de officier van justitie, neergelegd in een brief van 24 maart 1999. In zijn slotopmerking na het verhoor van de deskundige Van Bruinessen geeft de rechter-commissaris, nadat hij de aanleiding had geschetst, de inhoud van die afspraak als volgt weer (proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda, d.d. 5 januari 2000): "Dit verhoor vindt plaats in het kader van het verweer dat de telefoontaps verkeerd vertaald zouden zijn. Nadat de verdachte dit verweer gevoerd had heeft de rechter-commissaris de verdachte twee gesprekken door hem laten vertalen; het betreft de gesprekken A-1-1 en A-1-3 uit het [betrokkene 5]-dossier. De vertaling van de verdachte wijkt aanzienlijk af van de drie tolken die door de politie zijn ingezet. Naar aanleiding van het laatste gegeven heeft de rechter-commissaris overleg gehad met de officier van justitie en de raadsman van verdachte teneinde op een praktische manier de juistheid van de vertaling van de tapgesprekken te toetsen, te weten door de gesprekken A-1-1 tot en met A-1-10 opnieuw te laten vertalen. Deze gesprekken werden door de officier en de raadsman gezien als een representatieve selectie uit het geheel van 6000 gesprekken. De officier van justitie en de raadsman hebben aangegeven niet te verzoeken andere gesprekken te laten vertalen indien de vertaling niet het resultaat opleverde dat zij ervan verwachtten. Gezien het grote belang wat aldus gehecht is aan de selectie van de tien gesprekken, werden tevens in onderling overleg afspraken gemaakt ten aanzien van de selectie van de taptolk. Zie de brief van 24 maart 1999 van de rechter-commissaris aan de raadsman en de officier van justitie. Tevens werd afgesproken dat bij betwisting van de nieuwe vertaling Dr. Van Bruinessen als deskundige uitsluitsel zou geven over de juiste vertaling."

10.3.8 De rechtbank heeft in haar eindvonnis d.d. 9 februari 2001 de visie van deze getuige-deskundige onjuist geïnterpreteerd. Volgens de rechtbank is de heer Van Bruinessen, hoogleraar aan de universiteit in Utrecht en docent Koerdisch aldaar, niet tot de conclusie gekomen dat de in het dossier gegeven vertalingen van telefoongesprekken niet goed zouden zijn, integendeel zelfs. De getuige-deskundige heeft verklaard dat het transcript verbazingwekkend goed is en dat de tolk uit het gesprek woorden beter kan onderscheiden dan hij. Hij voegt daaraan toe: "Hij (de tolk) kan het echt heel goed." Daarnaast constateert de rechtbank dat de meeste tapgesprekken, voor zover van belang, door drie tolken zijn vertaald. Het misverstand, dat aanvankelijk ook bij het hof leefde, namelijk dat de deskundige zich in deze tekst uitsprak over de kwaliteit van de politietolken, is door de verdediging in hoger beroep opgehelderd, hetgeen nog eens is bevestigd in een brief van de deskundige d.d. 13 maart 2002 (productie 10 bij pleidooi). De deskundige laat daar weten: "Het wekt mijn verbazing dat er enige onduidelijkheid over heeft kunnen bestaan over de vraag welke transcripties ik "verbazingwekkend goed" noemde. Dat

waren niet die van de "politietolken", die duidelijk problemen hadden met het door [verdachte] en zijn gesprekspartners gesproken dialect, maar die van de door de rechter-commissaris ingeschakelde tolk. Het dialect van [geboorteplaats], waar [verdachte] vandaan komt, is notoir moeilijk te verstaan voor buitenstaanders, een verwijt valt de politietolken dan ook nauwelijks te maken. Ik heb zelf op verzoek van de rechter-commissaris, de heer Sterk, enkele banden beluisterd en had grote problemen met het onderkennen van veel woorden. Ik had de heer Sterk aangeraden een tolk te zoeken die uit hetzelfde gebied afkomstig is als [verdachte]. Deze bleek inderdaad vrijwel alles goed te verstaan. Het was zijn transcriptie die ik "verbazingwekkend goed" noemde. Het meest positieve dat ik over het werk van de politietolken zou kunnen zeggen is dat de transcriptie vaak slordig en de vertaling onvolledig waren. Bij verschil in interpretatie tussen de politietolken en de tolk van de rechter-commissaris is het vrijwel steeds de laatste die gelijk heeft."

10.3.9 Overigens heeft deze deskundige, anders dan de verdediging thans poneert, nimmer als zijn mening kenbaar gemaakt, dat de politietolken in deze zaak "er een rotzooitje van hadden gemaakt" (pagina 13 dupliek). Hoewel daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 5 januari 2000, heeft professor Van Bruinessen daar op geen enkele wijze laten blijken, dat hij zich toen kritisch en op negatieve wijze wenste uit te laten over de kwaliteit van het werk van de politietolken. Pas in de hiervoor geciteerde passage uit de brief van 13 maart 2002 blijkt dat de deskundige zijn vraagtekens heeft bij hetgeen de politietolken hebben gepresteerd. "Het meest positieve dat ik over het werk van de politietolken zou kunnen zeggen is dat de transcriptie vaak slordig en de vertaling onvolledig waren. Bij verschil van interpretatie tussen de politietolken en de tolk van de rechter-commissaris is het vrijwel steeds de laatste die gelijk heeft." Dat is geen verrassende stellingname, aangezien de tolk van de rechter-commissaris, anders dan de politietolken, ruim de tijd heeft gehad om de hele tekst van de gesprekken A-1-1 tot en met A-1-10 te beluisteren en te vertalen. De politietolken stonden, gelet op het grote aantal gesprekken dat dagelijks binnenkwam, onder een grote tijdsdruk. Telkens moest er een keuze gemaakt worden of de tapgesprekken woordelijk vertaald moesten worden, dan wel of volstaan kon worden met de samenvatting van de essentie van het gezegde. Ook zijn bij deze werkdruk, waarbij vaak tientallen gesprekken per dag moesten worden verwerkt, fouten niet te vermijden. Over die fouten komt het hof hierna nog te spreken. De vraag die moet worden beantwoord is, of die individuele fouten de essentie van het besprokene al dan niet aantasten. Nu de deskundige Van Bruinessen op die vraag geen antwoord heeft gegeven, noch in positieve zin -"verbazingwekkend goed" heeft geen betrekking op de vertaling van de politietolken- noch in negatieve zin -noch bij verhoor van de rechter-commissaris op 5 januari 2000, noch in zijn nadere brief van 13 maart 2002 verschaft hij daarover duidelijkheid- kan het hof op de visie van professor Van Bruinessen geen oordeel funderen, en zal het hof die visie derhalve ook niet langer als voor de beoordeling van doorslaggevend belang beschouwen.

10.3.10 De advocaat-generaal heeft bij repliek overgelegd een rapport van drs. A.P.A. Broeders, als taal- en spraakdeskundige verbonden aan het NFI, d.d. 9 april 2002 (bijlage 11), die als algemene conclusie formuleert voor wat betreft zijn ervaringen met politietolken: "Afgaande op de Nederlandse vertaling van vreemdtalige tapgesprekken varieert de kwaliteit van de vertalingen door politietolken sterk, net als die van de weergave van Nederlandstalige gesprekken. Voor niet-Europese talen en traditioneel niet in Nederland onderwezen talen geldt dat de beperkte beschikbaarheid en competentie van vertalers voor deze talen vaak tot kwalitatief mindere vertalingen zal leiden. Gemeten aan het criterium van "fitness for purpose" is de ervaring echter dat de weergave van vreemdtalige (en Nederlandstalige) tapgesprekken die voor onderzoek aan het NFI worden aangeboden over het algeheel genomen wel aan deze eis voldoet, respectievelijk dat de weergave van de gesprekken -voor zover onze blik reikt- slechts sporadisch ter discussie wordt gesteld."

De deskundige legt in zijn rapport uit, dat tapgesprekken vaak onder een aanzienlijke tijdsdruk worden uitgeluisterd, in een fase van het onderzoek waarin het eventuele belang van een bepaald gesprek voor het onderzoek niet altijd duidelijk is. Dit verklaart volgens deze deskundige mogelijk deels, waarom de weergave van tapgesprekken soms zeer summier uitvalt. Een volledige schriftelijke weergave van alle ook op het eerste gehoor niet-relevante gesprekken leidt al gauw tot een disproportionele tijdsinvestering. De deskundige wijst erop dat zolang vertalingen door mensen worden gemaakt, fouten onvermijdelijk zijn. Veel van de vertaalfouten en onvolkomenheden die in tapjournaals voorkomen zijn volgens hem hinderlijk en geven een bepaalde mate van vertekening waardoor een verkeerd beeld kan ontstaan van het gesprek in kwestie. Het hof herinnert eraan dat de deskundige Van Bruinessen tot het oordeel kwam dat er in deze zaak sprake was van slordigheden -in de woorden van Broeders: "onvolkomenheden"- en dat de vertaling onvolledig was -Broeders: "weergave valt soms summier uit"-, alleen de gevolgtrekking die de deskundige Broeders uit deze gebreken c.q. fouten maakt lijkt een andere te zijn dan die door de verdediging als mening aan de deskundige Van Bruinessen is toegeschreven ("een rotzooitje?"). Drs. Broeders heeft in deze strafzaak dertig tapgesprekken onderzocht en daarover geeft hij in zijn rapport van 9 april 2002 het volgende oordeel: "Zoals beschreven in paragraaf 2.1.2 Vreemdtalig materiaal (p. 5/20) en de NB in paragraaf 3 Conclusie (p. 14/20) van het door mij op 22 december 2000 onder dit zelfde zaaknummer uitgebrachte rapport, is bij het onderzoek ten aanzien van de aanwezigheid van onregelmatigheden in het verloop van de overgelegde gesprekken gebruik gemaakt van de diensten van een native speaker van het Koerdisch en het Turks. Alle onderzochte Turks- of Koerdischtalige gesprekken zijn in het kader van dit onderzoek in het bijzijn van ondergetekende of een andere NFI-medewerker door bedoelde native speaker beluisterd, waarbij deze werd gevraagd de weergave van de gesprekken in het eveneens overgelegde tapjournaal kritisch te volgen. Voor de Engelstalige gesprekken is ditzelfde door ondergetekende gedaan. De wijze van weergave van de 30 onderzochte gesprekken varieert zowel tussen als binnen gesprekken sterk. In de meeste gevallen wordt de inhoud van de gesprekken deels in samenvatting weergegeven. Daarbij wordt zowel van directe rede als van indirecte rede gebruik gemaakt, en soms van hybride vormen die het midden houden tussen deze twee. Soms worden woorden of zinsdelen gekapitaliseerd, kennelijk om hun significantie aan te geven. In een aantal gevallen bleek het voor de beantwoording van de destijds gestelde (integriteits) vragen noodzakelijk bepaalde delen van de gesprekken woordelijk weer te geven, zoals blijkt uit Bijlage 1: Toelichting van de bevindingen (p. 16/20 tot 18/20). Daaruit blijkt dat de weergave van de gesprekken in de tapjournaals op deze punten kennelijk in eerste instantie onvoldoende informatie bevatte om de gestelde vragen adequaat te beantwoorden. Over het algemeen hebben zich bij de kritische beluistering van de 30 gesprekken echter geen situaties voorgedaan waarbij de weergave van de gesprekken significant bleek af te wijken van de gesproken tekst. Daarmee is niet gezegd dat de weergave altijd foutloos was, en zeker niet dat deze altijd volledig was. Bovendien zij opgemerkt dat de aandacht bij het beluisteren primair gericht was op de vraag of er (indicaties van) onregelmatigheden waarneembaar waren in de gesprekken. Niettemin kan worden gesteld dat in de weergave geen majeure afwijkingen zijn vastgesteld van de gesproken tekst."

10.3.11 Nu deze deskundige, zowel op grond van zijn algemene ervaring als NFI-deskundige, als op basis van het in deze strafzaak gedane onderzoek tot de conclusie komt, dat over het algemeen zich bij de kritische beluistering van de 30 door hem onderzochte gesprekken geen situaties hebben voorgedaan waarbij de weergave van de gesprekken significant bleek af te wijken van de gesproken tekst, bestaat erbij het hof geen twijfel (meer) over de vraag of de vertalingen die de politietolken hebben gemaakt in essentie weergeven datgene dat besproken is door de deelnemers aan de afgeluisterde gesprekken. Daarbij komt nog, dat het hof zelf, na zorgvuldige vergelijking tussen de vertaling van de tolk van de rechter-commissaris en de vertalingen van de politietolken slechts op één ondergeschikt punt, te weten in gesprek A-l-1: "We hebben dat zojuist geregeld" dan wel "Voor hem is een andere gevonden", een onderscheid heeft aangetroffen. De (zakelijk samengevatte) uitwerkingen van de gesprekken A-1-1 tot en met A-1-10, zoals deze in het strafdossier zijn gevoegd, geven naar het oordeel van het hof een correcte weergave van de inhoud van de gevoerde gesprekken en wijken, zeker qua strekking en inhoud, niet af van de vertalingen van de tolk van de rechter-commissaris.

10.3.12 Door de verdediging is gewezen op een aantal fouten in de vertaling. De meest spectaculaire is die in gesprek A-3-24, waarin "to make him cold" wordt gehoord, terwijl gezegd zou zijn "to make him call" of "to make him a call". Een andere aanwijs-bare fout zit in gesprek A-1-9, waar de tolk van de rechter-commissaris het woord "demanca" hoort en dat vertaalt met "pistool" en de politietolken het woord "temafil" horen en daarvoor als vertaling "auto" geven.

Gelet op de hiervoor geschetste achtergrond, waarbij het er niet om gaat of er foutloos is vertaald, maar of de essentie van het besprokene correct is weergegeven, kunnen deze fouten niet echt imponeren.

Bovendien gaat het bij de gegeven voorbeelden telkens niet om vertaalfouten, maar om (mogelijke) luisterfouten. Afgaande op wat de luisteraar, in casu de tolk, hoort, zal hij tot een andere vertaling komen. Dit blijft onvermijdelijk en is in het kader van de oordeelsvorming in deze zaak -nu de gesprekken in zijn geheel qua strekking geen aanleiding geven tot misverstand- overigens niet van belang.

10.3.13 Tot zover de beoordeling van de interne betrouwbaarheid. De conclusie luidt dat het hof geen reden heeft om aan de inhoud van de vertaalde tapgesprekken te twijfelen. Omdat deze gesprekken aanvankelijk louter als opsporingsmiddel zijn gehanteerd, en nu door het hof worden opgewaardeerd tot bewijsmiddel, heeft het hof desondanks de vertaalde gesprekken met grote behoedzaamheid voor het bewijs gebruikt. Voor de toetsing van de validiteit van de gesprekken is gekeken naar de externe betrouwbaarheid, dat wil zeggen naar de vraag of datgene dat in een vertaald gesprek als werkelijkheid wordt gepresenteerd, ook is terug te vinden in de buitenwereld. Een duidelijk voorbeeld daarvan is gesprek A-1-1, d.d. 9 november 1997, waarin volgens de vertaling over "een tuin" wordt gesproken terwijl er diezelfde dag, volgens een brief d.d. 9 november 1997 van de hoofdbrigadier van politie in de gemeente Bakirkoy, gericht aan de gouverneur van Istanbul, iemand in een Japanse theetuin is neergeschoten. Volgens een krantenbericht uit de krant Sabah zou het slachtoffer genaamd zijn [betrokkene 5], bij welk bericht een pasfoto van het slachtoffer is afgebeeld. Het betreft een man met een volle baard, waarvan ook in gesprek A-1-4 melding wordt gemaakt, doordat de verdachte aan zijn gesprekspartner [betrokkene 7] laat weten dat de "Sakalli" (in Turks: man met baard) volgens hem die avond -9 november 1997- naar Karaci Ahmet (een begraafplaats in Turkije, althans de wijk waar die begraafplaats ligt) is gestuurd. Bij zoveel overeenkomst tussen de "vertaalde" werkelijkheid en de verifieerbare werkelijkheid, kan er naar het oordeel van het hof geen redelijke twijfel meer zijn over de vraag of de vertaling correspondeert met wat er in feite is gebeurd. In het dossier zijn legio voorbeelden te vinden, waarin diezelfde correspondentie kan worden vastgesteld, zoals ook in de bewijsmid-delen valt te lezen, en ook om deze reden beoordeelt het hof de vertaling van de afgeluisterde telefoongesprekken als betrouwbaar en dus -met inachtneming van de hiervoor aangegeven behoedzaamheid- als bruikbaar voor het bewijs."

(blz. 21-26 van het verkorte arrest)

4.3. Met betrekking tot het onder 4.1 weergegeven verweer heeft het Hof geoordeeld dat de schriftelijk uitgewerkte vertalingen van de afgeluisterde telefoongesprekken, die zijn opgemaakt door de tolken die het politieteam in de onderhavige zaak hebben geassisteerd, naar de essentie genomen juist zijn en mitsdien bruikbaar voor het bewijs. Blijkens zijn hierboven weergegeven overwegingen heeft het Hof, alvorens de desbetreffende vertalingen van de telefoontaps tot het bewijs te bezigen, enerzijds uitvoerig onderzocht of deze vertalingen in essentie juist zijn en daarbij bevonden dat zulks het geval is, en anderzijds bezien in hoeverre de vertaalde inhoud van die gesprekken aansloot bij hetgeen - naar zich aan de hand van andere bewijsmiddelen dan de telefoontaps liet vaststellen - in werkelijkheid was gebeurd, waarbij het Hof heeft bevonden dat er een zodanige overeenkomst bestond tussen de inhoud van de vertaalde telefoongesprekken en de uit andere bronnen verifieerbare werkelijkheid dat naar 's Hofs oordeel geen redelijke twijfel meer bestond aan de juistheid van de essentie van de desbetreffende vertalingen.

In het verband van voormeld onderzoek is de verdediging de gelegenheid geboden haar door art. 6 EVRM gewaarborgde rechten uit te oefenen, welke mogelijkheid de verdediging heeft benut. Bij de beoordeling van de bruikbaarheid van de vertalingen heeft het Hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl 's Hofs oordeel niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel behoefde ook geen nadere motivering. Derhalve falen de middelen voorzover daarin wordt geklaagd over dit oordeel van het Hof.

De overige in de middelen vervatte klachten op dit punt kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het vijftiende middel

5.1. Het middel komt op tegen het aan een gevoerd bewijsverweer ten grondslag liggende oordeel van het Hof dat de door een anoniem gebleven tolk vertaalde en op schrift gestelde weergave van een afgeluisterd telefoongesprek niet is een "schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt" in de zin van art. 344, derde lid, Sv.

5.2. Het verkorte arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"(...) Bij taps, zo merkt de advocaat-generaal terecht op, is er sprake van gesprekken van personen die tegen elkaar spreken en die zich in beginsel niet bewust zijn van het feit dat zij afgeluisterd worden. De schriftelijke weergave daarvan door een tolk, die slechts weergeeft in een andere taal wat anderen hebben gezegd, wordt niet beheerst door de bewijsregel van artikel 344 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, dat betrekking heeft op anoniem gebleven zegslieden."

5.3. Het middel komt tevergeefs tegen dat oordeel op.

Uit de aard van de werkzaamheid van een tolk/vertaler, te weten het vertolken of vertalen van een hem aangereikte gesproken of geschreven tekst, vloeit voort dat de schriftelijke weerslag van zijn vertaalwerkzaamheden geen verklaring oplevert in de zin van art. 344, derde lid, Sv. Wel kan de vertolkte of vertaalde tekst een verklaring van een ander bevatten wiens identiteit niet blijkt, waarvan het gebruik voor het bewijs onder de in art. 344, derde lid, Sv aangeduide omstandigheden is onderworpen aan de in die bepaling gestelde eisen. Dit laatste is hier niet aan de orde.

6. Beoordeling van de middelen voor het overige

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 21 oktober 2003.