Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AH1178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
20-06-2003
Zaaknummer
38136
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 38.136 20 juni 2003 WM gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 februari 2002, nr. P99/2405, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1094 met annotatie van Antonisse
BNB 2003/297 met annotatie van A.O. Lubbers
FED 2003/361
FED 2003/409
WFR 2003/1094
Belastingadvies 2003/14.3
V-N 2003/31.6 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.136

20 juni 2003

WM

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 februari 2002, nr. P99/2405, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aanvankelijk is aan belanghebbende voor het jaar 1992 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 108.055, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 83.509.

Vervolgens is aan belanghebbende over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.943.539, onder vermeerdering van de belasting met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 775, welke aanslag nadien bij ambtshalve gegeven beschikking van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.246.585, onder vermeerdering van de belasting met desinvesteringsbetalingen ten bedrage van ƒ 775. Na daartegen gemaakt bezwaar is deze aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.222.039. De uitspraak van het Hof en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend. Hij heeft tevens het incidentele beroep beantwoord.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 30 oktober 1992 heeft belanghebbende samen met E B.V. opgericht F B.V. en haar onderneming in F B.V. ingebracht tegen schuldigerkenning. De onderneming van belanghebbende wordt met ingang van 1 januari 1991 voor rekening en risico van F B.V. gedreven.

3.1.2. In artikel 23 van de oprichtingsakte van F B.V. is onder meer bepaald dat van het maatschappelijk kapitaal der vennootschap bij deze akte zijn geplaatst 400 aandelen, dat 200 aandelen worden geplaatst bij de oprichter X (waarmee belanghebbende is bedoeld) en eveneens 200 aandelen bij de oprichter E, dat de oprichters de aandelen zullen volstorten in geld en dat deze storting heeft plaatsgevonden blijkens een aan deze akte te hechten verklaring.

3.1.3. De Inspecteur heeft ter zake van de onder 3.1.1 genoemde inbreng de winst van belanghebbende verhoogd met goodwill tot een bedrag van ƒ 1.858.544 en dit bedrag aanvankelijk begrepen in de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1991. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt en tegen de beslissing daarop beroep ingesteld. In zijn uitspraak van 9 december 1997, nr. 95/5305, heeft het Gerechtshof te Amsterdam geoordeeld dat "belanghebbende kan worden gevolgd in haar standpunt dat de ter zake behaalde winst is gerealiseerd in 1992 en dat daarmee de grond aan de goodwillcorrectie in 1991 ontvalt".

3.1.4. Belanghebbende heeft op 2 juni 1993 voor het jaar 1992 aangifte gedaan van een belastbaar bedrag van

ƒ 81.796. De Inspecteur heeft belanghebbende bij schrijven van 15 december 1995 te kennen gegeven dat de aanslag voor het jaar 1992 wordt opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 108.055 in verband met correcties op de pensioendotatie (ƒ 5.811) en de kosten van tantième (ƒ 20.448). Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van 15 december 1997 verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 83.509.

3.1.5. Bij brief van 16 oktober 1997 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over zijn voornemen voor het jaar 1992 tot navordering over te gaan. De navorderingsaanslag is met dagtekening 31 december 1997 opgelegd. Bij ambtshalve gegeven beschikking van 15 september 1998 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag verminderd. Deze vermindering was een gevolg van de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 december 1997, nr. 96/2835, op het beroep van F B.V. betreffende de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1992, waarbij de waarde van de bij de inbreng aanwezige goodwill is vastgesteld op ƒ 1.161.590.

4. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

4.1. Het Hof is kennelijk - en in cassatie onbestreden - ervan uitgegaan dat in de omstandigheden van dit geval de bij de overdracht van de onderneming aan de nieuw opgerichte BV behaalde winst slechts in 1992 kon worden belast. Bij dit uitgangspunt heeft het Hof terecht het antwoord op de vraag of de Inspecteur dit ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag wist of redelijkerwijs kon weten, beslissend geacht voor de aanwezigheid van een zogenaamd nieuw feit. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag niet ermee bekend was of redelijkerwijs ermee bekend had kunnen zijn dat de winst, behaald met de overdracht van de onderneming van belanghebbende aan F B.V., tot de winst van 1992 behoorde. Het Hof heeft hiervoor redengevend geoordeeld dat uit de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1992, waarvan de Inspecteur in beginsel mag aannemen dat deze juist is, niet blijkt dat de aard van de onderneming in dat boekjaar is gewijzigd of dat activiteiten zijn overgedragen, dat uit de in verband met de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1991 gevoerde correspondentie, daterend van vóór het opleggen van de primitieve aanslag voor het jaar 1992, niet blijkt op welke datum belanghebbende de onderneming heeft overgedragen, dat dit evenmin blijkt uit de akte van oprichting van F B.V, en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur reeds ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag ermee bekend kon zijn dat aan de uit 1991 daterende voorovereenkomsten geen uitvoering was gegeven en dat de inbreng van haar onderneming in F B.V. eerst in 1992 heeft plaatsgevonden. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard dan wel berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn in het licht van de stukken van het geding ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middel 1 faalt derhalve.

4.2. Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

5.1. Uit de stukken van het geding blijkt dat voor het Hof onder meer in geschil was of de bij belanghebbende in aanmerking te nemen desinvesteringsbetalingen moeten worden berekend naar de waarden van de aan F B.V. overgedragen bedrijfsmiddelen per 1 januari 1991, zoals de Inspecteur heeft verdedigd, dan wel per 30 oktober 1992, zoals belanghebbende heeft bepleit.

5.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.222.039. In dat oordeel ligt kennelijk tevens het oordeel besloten dat geen rekening moet worden gehouden met desinvesteringsbetalingen. Hiertegen richt zich het middel met het betoog dat dit oordeel onjuist is en ten onrechte niet is gemotiveerd.

5.3. Uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt dat F B.V. op 30 oktober 1992 juridisch tot stand is gekomen. Belanghebbende heeft derhalve op die datum haar bedrijfsmiddelen vervreemd, zodat in beginsel rekening moet worden gehouden met desinvesteringsbetalingen. Indien het Hof dat bij zijn in 5.2 bedoelde oordeel heeft miskend, heeft het daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof dat wel tot uitgangspunt heeft genomen, maar van oordeel was dat er, gelet op de waarde waartegen de vervreemding heeft plaatsgevonden, geen reden was om desinvesteringsbetalingen in aanmerking te nemen, dan is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt derhalve. De uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en verwijzing moet volgen voor onderzoek van de vraag of de verschuldigde belasting moet worden vermeerderd met desinvesteringsbetalingen.

6. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het principale beroep ongegrond,

verklaart het incidentele beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2003.