Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF9704

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
38205
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1012
BNB 2003/292 met annotatie van P.H.J. Essers
FED 2003/335
WFR 2003/1011, 2
Belastingadvies 2003/12.2
V-N 2003/30.17 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 38.205

6 juni 2003

RB

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 april 2002, nr. 397/99, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 393.246, waarvan een bedrag van ƒ 280.351 belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 360.246, waarvan een bedrag van ƒ 247.351 belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. In 1996 heeft de echtgenote van belanghebbende alle aandelen in A B.V. (hierna: de BV) verkocht aan een bankinstelling. Voor dit geding kan ervan worden uitgegaan dat zij sinds 1980 enig aandeelhoudster van de BV was. De BV heeft in 1988 haar onderneming verkocht aan een van de kinderen van de aandeelhoudster. In de BV bleven toen een woonwinkelpand en een door de aandeelhoudster bewoond woonhuis achter, evenals enige effecten. Met ingang van 1989 verkreeg de BV de status van fiscale beleggingsinstelling. Dientengevolge werden de activa geherwaardeerd en werd over de op dat moment aanwezige stille reserves vennootschapsbelasting betaald. Daarna was in de BV boven het geplaatste en gestorte kapitaal van ƒ 30.000 nog een winstreserve van ƒ 280.645 aanwezig. In 1994 is het woonhuis verkocht aan de aandeelhoudster. Ten aanzien van de behaalde boekwinst is voldaan aan de zogenoemde doorstootverplichting. In 1995 zijn ook het woonwinkelpand en de effecten overgedragen aan de aandeelhoudster. Ook te dier zake is voldaan aan de doorstootverplichting. De activa van de BV bestonden daarna nog vrijwel uitsluitend uit een vordering op de aandeelhoudster en enige liquide middelen. De in 1996 bij de verkoop aan een bankinstelling bedongen prijs bedroeg ƒ 310.351. Het gestorte kapitaal, dat in 1995 door middel van herkapitalisatie was vergroot, bedroeg toen ƒ 63.000.

3.2. Voor het Hof was in geschil of het met de verkoop van de aandelen behaalde voordeel ten bedrage van ƒ 247.351 moet worden belast als winst uit aanmerkelijk belang, tegen een tarief van 20 percent, dan wel als inkomsten uit vermogen, tegen een tarief van 45 percent. Het Hof heeft met toepassing van het leerstuk der wetsontduiking geoordeeld dat het voordeel moet worden belast als inkomsten uit vermogen. Tegen dit oordeel zijn de middelen gericht.

3.3. De aanvankelijk door de BV uitgeoefende onderneming is in 1988 door de aandeelhoudster verkocht, zonder dat zij haar belang bij die onderneming behield. De ten tijde van die verkoop in de BV aanwezige onroerende zaken werden niet in het kader van een afzonderlijke beleggingsactiviteit geëxploiteerd. Onder die omstandigheden zou een op de verkoop van de onderneming volgende verkoop van de aandelen in de BV aan een bankinstelling, na overbrenging van de onroerende zaken naar het privé-vermogen van de aandeelhoudster, geen aanleiding hebben gegeven tot belastingheffing over de in de BV aanwezige reserves op de voet van de in de zogenoemde kasgeldarresten neergelegde wetstoepassing, maar slechts hebben geleid tot belastingheffing over winst uit aanmerkelijk belang. De aandelen werden echter niet verkocht, maar de BV verkreeg - met afrekening van de vennootschapsbelasting over de in de activa aanwezige stille reserves - de status van fiscale beleggingsinstelling. Voor de onder de werking van het voor deze instellingen geldende regime behaalde opbrengsten en gerealiseerde vermogenswinsten is voldaan aan de zogenoemde doorstootverplichting, zodat die opbrengsten en vermogenswinsten in beginsel volledig in de heffing van de inkomstenbelasting zijn betrokken. Het in 1996 bij de verkoop aan een bankinstelling behaalde voordeel wijkt dan ook slechts door de tussentijdse herkapitalisatie af van het bedrag van de reserves dat reeds bij de verkrijging van de status van fiscale beleggingsmaatschappij aanwezig was. Deze reserves zouden, zoals gezegd, indien zij toen door verkoop van de aandelen aan een bankinstelling zouden zijn gerealiseerd, slechts belast zijn volgens de voor winst uit aanmerkelijk belang geldende bepalingen. Onder deze omstandigheden is er geen goede grond om, zoals het Hof heeft gedaan, die reserves alsnog volgens het regime voor inkomsten uit vermogen te belasten. De middelen slagen derhalve.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 360.246, waarvan een bedrag van ƒ 247.351 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2003.