Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF9682

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
37936
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21636
Belastingblad 2003/864
BNB 2003/273 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
FED 2003/401
FED 2003/333
WFR 2003/1011
V-N 2003/31.29 met annotatie van Redactie
NTFR 2003/1021 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.936

6 juni 2003

WM

gewezen op het beroep in cassatie van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: B en W) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 december 2001, nr. P 98/04149, betreffende na te melden aan de erven van X te Z opgelegde aanslag in de baatbelasting van de gemeente Hilversum.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 ter zake van het object aangeduid als a-straat 2 te Z een aanslag in de baatbelasting a-straat/b-straat e.o. van de gemeente Hilversum opgelegd ten bedrage van ƒ 135.971, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Hilversum is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

B en W hebben een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 9 oktober 1996 heeft de gemeenteraad van Hilversum de "Verordening Baatbelasting a-straat/b-straat e.o." (hierna: de Verordening) met een bijbehorende gewaarmerkte gebiedskaart vastgesteld. De Verordening luidt, voorzover van belang:

"Artikel 1 - Begripsomschrijvingen.

Deze verordening verstaat onder:

a. een onroerende zaak:

1. een gebouwd eigendom, waaronder in ieder geval wordt verstaan een gebouw met eventuele toebehoren en of grond ten aanzien waarvan een splitsing in appartementsrechten heeft plaatsgevonden;

2. een ongebouwd eigendom;

3. een samenstel van:

- twee of meer aaneengebouwde of aangrenzende gebouwde eigendommen, of:

- twee of meer aangrenzende ongebouwde eigendommen; of:

- aangrenzende gebouwde en ongebouwde eigendommen; voorzover voor die eigendommen eenzelfde genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een gerechtigde tot een appartementsrecht hiervan uitgezonderd, wordt aangemerkt als belastingplichtige.

4.een samenstel van:

- twee of meer aaneengebouwde of aangrenzende gebouwde eigendommen; of:

- aangrenzende gebouwde en ongebouwde eigendommen; voorzover die eigendommen deel uitmaken van een onroerende zaak ten aanzien waarvan een splitsing in appartementsrechten, al dan niet in combinatie met een ondersplitsing van een zodanig appartementsrecht, heeft plaatsgevonden.

b. heringerichte openbare ruimte: het gebied zoals is aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart.

c. frontbreedte: alle zijden van een onroerende zaak voor zover gelegen aan de heringerichte openbare ruimte.

Artikel 2 - Belastbaar feit.

1. Onder de naam "Baatbelasting a-straat/b-straat e.o." wordt in de vorm van een heffing ineens een belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de bolletjes omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 november 1995 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

2. De in het eerste lid bedoelde voorzieningen omvatten het aanleggen/verbeteren van:

a. sierbestrating met inbegrip van profielaanpassingen op de bestaande voorzieningen;

b. openbare sierverlichting;

c. straatmeubilair;

d. groenvoorzieningen.

Artikel 3 - Belastingplicht.

1. De belasting wordt geheven van degene, die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

2. (...)

Artikel 4 - Maatstaf van heffing.

1. Maatstaf van heffing is de uitkomst van de volgende formule:

(M x V x T1) + (F x T2)

waarin:

M = de maatstaf van heffing zoals bedoeld in het tweede lid

F = de maatstaf van heffing zoals bedoeld in het derde lid

V = de voorzieningsfactor zoals bedoeld in het vierde lid

T1 = het tarief zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid

T2 = het tarief zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid

2. De oppervlakte van een onroerende zaak wordt bepaald, op het aantal volle vierkante kadastrale meters van de begane grond - van de onroerende zaak die grenst aan de heringerichte openbare ruimte - waarbij op hele meters naar beneden wordt afgerond.

3. De frontbreedte wordt bepaald op de lengte gemeten van de kadastrale kaart, van dat deel van een onroerende zaak dat grenst/gelegen is aan de heringerichte openbare ruimte. De werkelijke lengte wordt hierbij op halve meters naar beneden afgerond. Indien er meerdere zijden, van één onroerende zaak, zijn gelegen aan de heringerichte openbare ruimte die tot stand zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, geldt de som van alle zijden.

4. De voorzieningsfactor, voor de op in artikel 2 bedoelde kaart, voorkomende onroerende zaken welke deels zijn gelegen aan een reeds eerdere heringerichte openbare ruimte, en of die uit hoofde van de verordening baatbelasting Leeuwenstraat/kampstraat reeds een aanslag ontvangen hebben, is aangegeven in de rode kleur en bedraagt: 0,5.

Artikel 5 - Belastingtarief.

De belasting bedraagt:

1. voor elke vierkante meter van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid ƒ 50,30

2. voor elke strekkende meter van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 4, derde lid ƒ 1618,67."

3.1.2. Belanghebbende is eigenaar van het appartement a-straat 1. Het appartement is grotendeels als winkel in gebruik. Tot het appartement behoort een afgescheiden winkelruimte die het huisnummer a-straat 3 heeft. Het appartement is gelegen op de begane grond en heeft een oppervlakte van ongeveer 475 m² en een winkelfront van ongeveer 21,5 m aan de a-straat. Naast het appartement zijn nog twee kleinere bedrijfsruimten gelegen, waarvan het appartementsrecht bij een ander berust. Het appartement maakt deel uit van een flatgebouw. Tot dit flatgebouw behoren naast de vermelde winkels en bedrijfsruimten nog 38 woningen, 21 bergingen, 17 garages en 22 parkeerplaatsen in de parkeerruimte in de kelder.

3.1.3. De onderhavige aanslag, waarvan het aanslagbiljet is gedagtekend 31 mei 1997, is als volgt gespecificeerd:

"Bel Tarief Omschrijving Vastgestelde waarde Bedrag

srt srt /heffingsgrondslag

84 84 a-straat 2 M=1432 F=39,5 V=1,0 135971,00"

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de onderhavige aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat met de adresaanduiding 'a-straat 2' op het aanslagbiljet een appartement waarvan belanghebbende het appartementsrecht heeft, wordt onderscheiden, en dat hieruit volgt dat de aanduiding op de specificatie bij het aanslagbiljet geen betrekking heeft op een onroerende zaak die object is van de Baatbelasting a-straat/b-straat e.o., zodat de aanslag moet worden vernietigd. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat, voorzover verweerder heeft bedoeld dat de aanslag betrekking heeft op het gehele flatgebouw waarvan het appartement van belanghebbende deel uitmaakt, het aanslagbiljet niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen zodat de aanslag moet worden vernietigd, aangezien niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende bij de ontvangst van het aanslagbiljet onmiddellijk heeft moeten begrijpen dat de aanslag met de adresaanduiding 'a-straat 2' betrekking heeft op het gehele flatgebouw, terwijl zulks noodzakelijk is om het in artikel 253 van de Gemeentewet bedoelde verhaalsrecht geldend te kunnen maken tegenover alle andere rechthebbenden op een appartementsrecht in het flatgebouw, die in dat geval immers evenzeer belastingplichtig zijn voor deze aanslag.

3.4. De middelen van cassatie gaan ervan uit - zulks in overeenstemming met hetgeen het Hof heeft geoordeeld - dat een aanslag in de baatbelasting ter zake van een onroerende zaak die uit een appartementencomplex bestaat, met toepassing van artikel 253 van de Gemeentewet kan worden opgelegd aan één der appartementseigenaren, die vervolgens, na betaling van de aanslag, hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn belastingplicht, op de voet van lid 3 van artikel 253 kan verhalen op de overige appartementseigenaren naar evenredigheid van ieders belastingplicht. Aangaande dit uitgangspunt overweegt de Hoge Raad het volgende.

3.5. Artikel 253, lid 1, luidde destijds - voorzover hier van belang - als volgt.

Indien met betrekking tot een zelfde onroerende zaak voor de heffing van de (...) baatbelasting (...) twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan een zodanige belasting bij wege van één aanslag worden geheven ten name van een van hen.

Artikel 253 komt - afgezien van enkele hier niet ter zake doende verschillen - overeen met artikel 298 van de gemeentewet (oud), zoals dat luidde sinds de Wet van 30 mei 1990, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de Invorderingswet 1990 (Invoeringswet Invorderingswet 1990), Stb. 222. In de Memorie van toelichting bij het voorstel voor deze wet is opgemerkt dat deze bepaling qua strekking overeenkomt met de verhaalsregeling van artikel 6, lid 1, van de Invorderingswet 1845 (Kamerstukken II 1988/89, 21 135, nr. 3, blz. 25). Laatstgenoemd artikellid luidde aldus:

Mede-eigenaars, welke niet bij name op het kohier der grondbelasting zijn aangeslagen, zijn niet aansprakelijk, dan in het onroerend goed, waarvan zij den mede-eigendom hebben. De uitwinning kan echter plaatshebben ten name van den op het kohier bekenden mede-eigenaar.

3.6. De grondbelasting wordt ingevolge artikel IX van de Wet van 24 december 1970, Stb. 608, sinds 1980 - toen alle gemeenten in Nederland onroerendgoedbelastingen hadden ingevoerd - niet meer geheven. Van belang is dus of - naar de destijds gangbare opvatting - onder mede-eigenaars van het onroerend goed, bedoeld in evenvermelde bepaling, bij een in appartementen verdeeld gebouw ook de eigenaren van de onderscheiden appartementen vallen.

Vóór de wetswijziging van 1972 (Wet van 7 september 1972, Stb. 467) was in artikel 638b, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (oud) bepaald dat na de overschrijving van de akte waarbij de splitsing in appartementen was geschied, ieder appartement als een zelfstandige onroerende zaak wordt beschouwd. Het appartementsrecht was dus - en is dat overigens ook na de wetswijziging van 1972 - een recht, dat - in de woorden van artikel 555 van het Burgerlijk Wetboek (oud) - het voorwerp van eigendom kan zijn. Als zelfstandig recht kan het niet op één lijn worden gesteld met andere vormen van mede-eigendom. Hiermee strookt hetgeen de Resolutie van 11 mei 1954, no. 141, V-N 1954, blz. 395, punt 2, - voorzover hier van belang - voorschrijft:

Een appartement behoort voor de heffing van de Grondbelasting als een afzonderlijk gebouwd eigendom te worden beschouwd.

Dit betekent, dat appartementseigenaren ieder afzonderlijk in de grondbelasting worden aangeslagen.

3.7. Gelet op het hiervoor in 3.6 overwogene moet het ervoor worden gehouden dat volgens de destijds gangbare opvatting appartementseigenaren niet als mede-eigenaars van het onroerend goed, bedoeld in artikel 6, lid 1, van de Invorderingswet 1845, werden aangemerkt. Dit brengt, gelet op het hiervoor in 3.5 overwogene, mee dat niet kan worden gezegd dat eigenaren van verschillende appartementen met betrekking tot een zelfde onroerende zaak belastingplichtig zijn, als bedoeld in artikel 253, lid 1, van de Gemeentewet.

3.8. Opmerking verdient dat hetzelfde geldt na de wijziging van artikel 253 bij de Wet van 10 april 1997, Stb. 189, waarna lid 1 aldus luidt:

Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, kan de belastingaanslag ten name van een van hen worden gesteld.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt immers niet dat de wetgever op dit punt het toepassingsbereik van artikel 253 heeft willen uitbreiden. Uit de in de Memorie van antwoord genoemde voorbeelden blijkt veeleer van het tegendeel (Kamerstukken II 1996/97, 24 771, nr. 5, blz. 8):

In de praktijk kan bijvoorbeeld worden gedacht, in navolging van de huidige artikelen 253 Gemeentewet en 142 Waterschapswet, aan de mogelijkheid dat een onroerende zaak het belastingobject is en er meer eigenaren zijn zoals een echtpaar dat gezamenlijk eigenaar is van een woonhuis of de situatie dat na iemands overlijden de belastingschuld rust op een nog niet verdeelde boedel. Ook kan gedacht worden aan gezamenlijk gebruik zoals bij leden van een gezin die allen gebruiker zijn en dus belastingplichtig in de onroerende-zaakbelasting voor gebruikers of de situatie waarin een onroerende zaak in meer onzelfstandige eenheden is gesplitst. In dat laatste geval kunnen er meer gebruikers zijn die in een of meer belastingen kunnen worden aangeslagen. Gedacht kan daarbij worden aan jongeren- en bejaardenhuisvesting, maar ook bijvoorbeeld aan bedrijfsverzamelgebouwen.

3.9. Het hiervoor in 3.4 vermelde uitgangspunt is mitsdien onjuist. Dat brengt mee dat het Hof de uitspraak op het bezwaar en de aanslag, die op datzelfde uitgangspunt berusten, terecht heeft vernietigd, wat er zij van de daarvoor door het Hof gebezigde gronden. De middelen kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Hilversum aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2003.

Van de gemeente Hilversum wordt ter zake van het door B en W ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.