Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF9678

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
37755
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21613
BNB 2004/5 met annotatie van R.H. Happé
FED 2003/332
WFR 2003/1010
V-N 2003/31.21 met annotatie van Redactie
NTFR 2003/1046 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.755

6 juni 2003

WM

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2001, nr. 98/02299, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van agrarische bedrijfsgebouwen, cultuurgrond en een woonhuis met ondergrond en tuin een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 46.272, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot ƒ 45.075.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de beperking van de vrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet) tot de in die bepaling genoemde groep van bloed- en aanverwanten in strijd is met het verbod op discriminatie, neergelegd in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verbinding met artikel 1, lid 1, van het Eerste protocol bij het EVRM, en of vorenbedoelde beperking een inbreuk oplevert op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, neergelegd in artikel 8, lid 1, van het EVRM.

3.2. Het Hof heeft - kort weergegeven - geoordeeld dat belanghebbendes beroep op vorenbedoeld discriminatieverbod gegrond is, omdat het geval van belanghebbende - belanghebbende en zijn echtgenote woonden met B samen als ware belanghebbende diens zoon, en belanghebbende heeft diens onderneming overgenomen op een wijze die gebruikelijk is bij een bedrijfsopvolging van vader op zoon - en het geval dat de voortzettende ondernemer wel tot de in artikel 15, lid 1, letter b, van de Wet bedoelde familiekring van de overdragende ondernemer behoort, als feitelijk en rechtens gelijke gevallen moeten worden aangemerkt, en voor de door het Hof geconstateerde ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond ontbreekt. Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door de in 3.1 vermelde verdragsbepalingen verboden ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat zij niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd, en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen.

3.4. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet blijkt dat de onderwerpelijke vrijstelling overeenkomt met het bepaalde in artikel 101, lid 1, letter b, van de Registratiewet 1917 en dat de ratio van deze vrijstelling was en is het voorkomen van versnippering van de onderneming bij overgang op kinderen (Kamerstukken II 1969/70, 10 560, nr. 3, blz. 27, en nr. 7, blz. 12). De kring van personen voor wie deze vrijstelling was bedoeld is bij Wet van 18 december 1995 tot wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 (terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw), Stb. 660, verruimd met als doel de faciliteit mede te doen gelden voor kleinkinderen en hun echtgenoten, als gevolg waarvan de vrijstelling voor dezelfde kring van personen is gaan gelden als de faciliteit van artikel 17 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 428, nr. 3, blz. 13).

3.5. Uit het onder 3.4 overwogene volgt dat de ratio van de onderhavige vrijstelling is het voorkomen van versnippering van de onderneming bij overgang op (pleeg-)kinderen, kleinkinderen, alsmede de echtgenoten van (pleeg-)kinderen en kleinkinderen. In overeenstemming hiermee heeft de wetgever de vrijstelling van overdrachtsbelasting beperkt tot het geval waarin de bedrijfsopvolger behoort tot de genoemde kring van personen. Immers, met name indien zodanige bedrijfsopvolger ingevolge testamentaire beschikking het ondernemingsvermogen, en de daartoe behorende onroerende zaak of zaken, zou erven - welke vererving op grond van artikel 3, aanhef en letter a, van de Wet, niet belast zou zijn met overdrachtsbelasting -, zou zich het risico voordoen dat het ondernemingsvermogen wordt versnipperd als gevolg van een beroep op de legitieme portie door overige erfgenamen. Met de onderwerpelijke vrijstelling van overdrachtsbelasting voor gevallen van bedrijfsovername binnen de familie in de neerdalende rechte lijn, facilieert de wetgever in fiscaal opzicht de bedrijfsoverdracht nog tijdens het leven van de ondernemer en wordt het risico van versnippering van het ondernemingsvermogen beperkt.

Niet kan worden gezegd dat de wetgever aldus de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid - zie hiervoor onder 3.3 - heeft overschreden. Het middel slaagt derhalve.

3.6. Uit het hiervóór overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Niet kan worden gezegd dat de in artikel 15, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet opgenomen vrijstelling een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven van belanghebbende, als bedoeld in artikel 8, lid 1, van het EVRM, aangezien belanghebbende noch B door het niet van toepassing zijn van de vrijstelling werd belemmerd in de vrijheid hun gezinsleven met inachtneming van de rechten en belangen van andere betrokkenen in te richten.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2003.