Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF9440

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
R02/078HR (OK 106)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF9440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 301
NJ 2003, 486 met annotatie van J.M.M. Maeijer
RvdW 2003, 103
ARO 2003, 97
Ondernemingsrecht 2003, 37 met annotatie van P.D. Olden, C.C. Borgart
JWB 2003/235
JOR 2003/161 met annotatie van M.W. Josephus Jitta
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2003

Eerste Kamer

Rek.nr. R02/078HR (OK 106)

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], Frankrijk,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. R.M. Hermans,

t e g e n

1. [verweerder 1], wonende te [woonplaats], Frankrijk,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

en tegen

2. de vennootschap naar Frans recht SNF S.A., gevestigd te Saint Etienne, Frankrijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei,

en tegen

3. [verweerster 3], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen,

en tegen

4. MEESPIERSON TRUST B.V., gevestigd te Rotterdam,

BELANGHEBBENDE in cassatie,

niet verschenen,

en tegen

5. [belanghebbende 5], gevestigd te [vestigingsplaats],

BELANGHEBBENDE in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Met een op 3 mei 2002 ter griffie van Gerechtshof te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie sub 1 - verder te noemen: [verweerder 1] - zich gewend tot de Ondernemingskamer aldaar en verzocht:

1) een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van [verweerster 3] - verder te noemen: [verweerster 3] dan wel de vennootschap - vanaf 22 april 1993, waarbij dit onderzoek ook het beleid en de gang van zaken van [belanghebbende 5] (hierna: de Stichting), die alle aandelen in het kapitaal van [verweerster 3] houdt, dient te omvatten voor zover de onderzoeker die nodig acht;

2) bij wijze van onmiddellijke voorziening

a) een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon te benoemen als bestuurder van [verweerster 3];

b) de aandelen in [verweerster 3] over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen persoon ten titel van beheer;

c) zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer overigens geraden acht;

3) de onderzoeker op voorhand te machtigen als bedoeld in artikel 2:351 lid 2 BW tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van verweerster in cassatie sub 2 (hierna te noemen: SNF S.A.).

Bij een op 6 juni 2002 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad

a) [verweerder 1] niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van [verweerder 1] af te wijzen;

b) "in conventie" indien en voor zover de Ondernemingskamer [verweerder 1] ontvankelijk zou verklaren,

- [verzoeker] eveneens ontvankelijk te verklaren en - zakelijk en samengevat weergegeven - de verzoeken van [verweerder 1] tot het bevelen van een onderzoek en tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen af te wijzen;

- indien de Ondernemingskamer overweegt één of meer van de gevraagde onmiddellijke voorzieningen te treffen, iedere verdere beslissing voor een door de Ondernemingskamer te bepalen termijn aan te houden teneinde de vennootschap in de gelegenheid te stellen maatregelen te nemen die een einde maken aan het ontberen van een - statutair - bestuur na het aftreden van belanghebbende in cassatie - verder te noemen: MeesPierson - als bestuurder begin februari 2002;

c) "in voorwaardelijke reconventie" indien en voor zover de Ondernemingskamer [verweerder 1] in zijn verzoeken ontvankelijk verklaart, [verzoeker] aan te stellen als "voorlopig onbezoldigd bestuurder" van de vennootschap.

Bij een op 6 juni 2002 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift heeft MeesPierson als belanghebbende primair verzocht [verweerder 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen en zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer met betrekking tot de verzoeken van [verweerder 1].

De Ondernemingskamer heeft de verzoeken behandeld ter terechtzitting van 13 juni 2002.

Bij beschikking van 7 augustus 2002 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [verweerster 3] over het tijdvak vanaf 22 april 1993, mr. C.C.Th. van Andel benoemd teneinde dit onderzoek te verrichten en hem gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van SNF S.A., een en ander als nader omschreven in rov. 3.9 van haar beschikking met vaststelling van de onderzoekskosten tot een bedrag van € 10.000,-- exclusief omzetbelasting voor rekening van [verweerster 3]. Voorts heeft de Ondernemingskamer met onmiddellijke ingang voor de duur van het geding een nader aan te wijzen persoon tot bestuurder van [verweerster 3] benoemd en bepaald, voor zover nodig met terzijdestelling van de artt. 11 tot en met 13 van de statuten van [verweerster 3], dat de bestuurder bevoegd is besluiten te nemen en [verweerster 3] te vertegenwoordigen, en wel zonder dat hij de instemming of goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van [verweerster 3] daartoe behoeft, dat het salaris en de kosten van de bestuurder ten laste van [verweerster 3] komen en het stemrecht op de aandelen in het geplaatst kapitaal van [verweerster 3] geschorst. Het meer of anders verzochte heeft de Ondernemingskamer afgewezen.

Ingevolge voormelde beschikking heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 12 augustus 2002 drs. J. Lindenaar RA als bestuurder aangewezen.

De beschikkingen van de Ondernemingskamer zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide beschikkingen van de Ondernemingskamer heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. SNF S.A. heeft eveneens beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende beroepschrift in cassatie houdende exceptie van onbevoegdheid zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

SNF en [verweerder 1] hebben een verweerschrift ingediend en verzocht het cassatieberoep van [verzoeker] te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot:

1) vernietiging van de beschikking van de Ondernemingskamer van 7 augustus 2002 voor zover de daarin benoemde onderzoeker wordt gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van SNF S.A.;

alsmede

2) vernietiging van de beschikking van de Ondernemingskamer van 7 augustus 2002 voor zover bij wege van onmiddellijke voorziening een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon als bestuurder van de vennootschap wordt benoemd en, voor wat dit punt betreft, terugverwijzing ter verdere behandeling en beslissing en dientengevolge

3) vernietiging van de beschikking van de Ondernemingskamer van 12 augustus 2002.

De advocaten van [verzoeker] en [verweerder 1] hebben bij brieven van respectievelijk 4 en 3 april op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het beroep van [verzoeker]

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) [Verweerster 3] (hierna: de vennootschap) is in 1993 opgericht. Haar geplaatste kapitaal bedraagt ƒ 500.000,-- en is onderverdeeld in 5.000 aandelen met een nominale waarde van ƒ 100,-- elk. Alle aandelen worden gehouden door de [belanghebbende 5] (hierna: de Stichting).

(ii) De Stichting heeft een raad van commissarissen. Deze wordt gevormd door [verweerder 1] en [verzoeker]. Deze raad kan alleen besluiten nemen bij volstrekte meerderheid van stemmen terwijl bovendien beide commissarissen hun stem dienen uit te brengen.

(iii) Het bestuur van de Stichting behoeft voor het nemen van bepaalde besluiten de goedkeuring van de raad van commissarissen, in het bijzonder voor de besluiten die zien op het uitoefenen van het stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap.

(iv) Ingevolge de statuten van de vennootschap behoeft haar bestuur de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders voor het nemen van besluiten waarvan de algemene vergadering van aandeelhouders te kennen heeft gegeven een dergelijke goedkeuring nodig te achten.

(v) Het bestuur van de vennootschap en dat van de Stichting werden gevormd door MeesPierson Trust. Zij is naar aanleiding van de geschillen tussen [verweerder 1] en [verzoeker] eind januari 2002 als bestuurder van beide rechtspersonen afgetreden.

(vi) De aandelen in het kapitaal van de vennootschap zijn blijkens de Conditions of Administration [verweerster 3] bij notariële akte van 9 juni 1993 gecertificeerd. Blijkens de akte correspondeert (de waarde van) één certificaat met (de waarde van) één aandeel.

(vii) Volgens een zowel door [verweerder 1] als door [verzoeker] overgelegd, maar niet ondertekend, Contrat Fiduciaire houdt Credit Lyonnais Luxembourg (hierna: CLL) 2.500 certificaten voor rekening en op instructie van [verweerder 1] en 2.500 certificaten voor rekening en op instructie van [verzoeker].

(viii) Het enige activum van de vennootschap is het 30%-belang SNF S.A. Deze houdt een onderneming in stand in Frankrijk die zich bezig houdt met de productie en verkoop van in water oplosbare polymeren. Het eigen vermogen van SNF S.A. bedroeg volgens de balans per 31 december 1999 ongeveer FFRS 1,2 miljard. Bij haar zijn ongeveer 1.400 personen werkzaam. Naast de vennootschap houdt [verweerder 1] 34,97% en houdt [verzoeker], direct of indirect, ongeveer 35,05% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van SNF S.A.

(ix) Vanaf 1995 zijn er problemen gerezen tussen [verzoeker] en [verweerder 1] die zich concentreren op het beleid van de vennootschap als aandeelhoudster van SNF S.A. [Verweerder 1], die het standpunt betrekt dat een groter deel van de door SNF S.A. behaalde winst in de vorm van dividend zou moeten worden uitgekeerd aan de aandeelhouders, verwijt [verzoeker] dat deze met gebruikmaking van diens - door [verzoeker] betwiste - meerderheidspositie in de algemene vergadering van aandeelhouders van SNF S.A. bewerkstelligt dat haar winst nagenoeg geheel wordt toegevoegd aan de reserves. De verhouding tussen [verweerder 1] en [verzoeker] is in december 2000 verder verslechterd doordat [verweerder 1] toen is ontslagen als algemeen en commercieel directeur van SNF S.A.

(x) Gevolg van de tussen [verweerder 1] en [verzoeker] ontstane impasse is, naast het terugtreden van MeesPierson Trust als bestuurder van de vennootschap en de Stichting, dat besluitvorming door de vennootschap en de Stichting niet meer tot stand komt, beide rechtspersonen niet meer - kunnen - voorzien in het bestuur en de vennootschap en haar algemene vergadering van aandeelhouders de facto in het geheel niet meer functioneren.

3.2 De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 7 augustus 2002 een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap over het tijdvak vanaf 22 april 1993. Zij heeft de onderzoeker gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van SNF S.A. Voorts heeft de Ondernemingskamer een nader aan te wijzen persoon benoemd tot bestuurder van de vennootschap en, voor zover nodig met terzijdestelling van de artikelen 11 tot en met 13 van de statuten, bepaald dat de bestuurder bevoegd is besluiten te nemen en de vennootschap te vertegenwoordigen en wel zonder dat hij de instemming of de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap daartoe behoeft. Bij beschikking van 12 augustus 2002 heeft de Ondernemingskamer deze bestuurder aangewezen. De onderdelen 1 tot en met 6 keren zich tegen de beschikking van 7 augustus 2002; onderdeel 7 voegt daaraan toe dat gegrondbevinding van een of meer van deze onderdelen ook moet leiden tot vernietiging van de beschikking van 12 augustus 2002.

3.3.1 Onderdeel 1 klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte MeesPierson Trust heeft aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv., en ten onrechte haar heeft toegelaten een verweerschrift in te dienen, haar advocaat ter zitting het woord te laten voeren en acht heeft geslagen op hetgeen namens haar is aangevoerd. Het onderdeel betoogt dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat een voormalige bestuurder van de vennootschap en de Stichting geen belanghebbende is in de eerste fase van de enquêteprocedure.

3.3.2 Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932, NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.

3.3.3 Gelet op de zo-even vermelde maatstaf en op het doel van een enquêteprocedure, moet worden aangenomen dat de voormalige bestuurder van de rechtspersoon die volgens het daartoe ingediende verzoek onderworpen dreigt te worden aan een onderzoek naar het in het verleden mede door deze bestuurder gevoerde beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon, als belanghebbende kan worden aangemerkt. Deze bestuurder zal immers - voor de periode die hem aangaat - voor dat beleid verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Er is geen reden om te dezer zake verschil te maken tussen de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, en de tweede fase waarin moet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest en welke gevolgen daaraan eventueel moeten worden verbonden. Het onderdeel is dus niet gegrond.

3.4.1 Onderdeel 2 klaagt dat de Ondernemingskamer in rov. 2.6 van haar beschikking van 7 augustus 2002 ten onrechte heeft vastgesteld dat CLL (zie hiervóór in 3.1 onder vi) houdster is van alle certificaten van de aandelen in de vennootschap. Het onderdeel acht deze overweging onbegrijpelijk, omdat [verzoeker] dit heeft betwist en heeft aangevoerd dat Crédit Lyonnais Management Services S.A. houdster zou zijn van de certificaten.

3.4.2 Het onderdeel faalt. [Verweerder 1] heeft in zijn inleidend verzoekschrift gemotiveerd en onder verwijzing naar de tekst van het overgelegde Contrat Fiduciaire gesteld dat CLL houdster is van de certificaten. In die stelling is hij ondersteund door MeesPierson Trust. De Ondernemingskamer was kennelijk van oordeel dat de betwisting door [verzoeker] van deze stelling, waarvan de aannemelijkheid door [verweerder 1] voldoende was aangetoond, niet voldoende was gemotiveerd, nu [verzoeker] slechts heeft aangevoerd dat niet CLL doch een ander houdster zou zijn van de certificaten. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

3.5.1 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 3.2 tot en met 3.5 dat [verweerder 1] en [verzoeker] hebben te gelden als de rechtstreekse en enige economisch rechthebbenden op de certificaten van de aandelen in de vennootschap en dat [verweerder 1] daarom heeft te gelden als certificaathouder in de zin van art. 2:346, aanhef en onder b, BW. Het onderdeel bestrijdt dit oordeel met een aantal rechts- en motiveringsklachten.

3.5.2 Terecht wordt niet bestreden dat - naar in het oordeel van de Ondernemingskamer ligt besloten - de economisch rechthebbende op certificaten van aandelen gelijk gesteld moet worden met de certificaathouder als bedoeld in art 2:346, aanhef en onder b. Indien aan de economische certificaathouder in zijn verhouding tot de juridische certificaathouder alle bevoegdheden toekomen met betrekking tot de zeggenschap en de certificaten geheel en al voor rekening en risico van de economische certificaathouder worden gehouden, brengt de strekking van het enquêterecht mee dat de daardoor aan de kapitaalverschaffer verleende bescherming door de economische certificaathouder kan worden ingeroepen. Anders dan het onderdeel betoogt is daartoe niet noodzakelijk dat tussen de economisch rechthebbende op de certificaten en de aandeelhouder een rechtstreekse contractuele band bestaat. De Ondernemingskamer is dus niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.

3.5.3 De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden, wijzen erop dat [verweerder 1] en [verzoeker] hebben gekozen voor een juridische constructie die ertoe leidt dat zij samen zowel de zeggenschapsrechten als het economisch belang bij de gecertificeerde aandelen hebben behouden. Het oordeel van de Ondernemingskamer dat [verzoeker] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, is niet onbegrijpelijk en het is, in het licht van het processuele debat hierover, toereikend gemotiveerd. In het bijzonder is niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer ervan is uitgegaan dat de tekst van het overgelegde "Contrat Fiduciaire" bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door [verzoeker] de rechtsverhouding tussen partijen en CLL juist weergeeft.

3.5.4 De klachten van onderdeel 3b en 3c treffen daarom geen doel. Onderdeel 3a mist feitelijke grondslag omdat de Ondernemingskamer niet ervan is uitgegaan dat de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de vraag of [verweerder 1] voldoet aan de omschrijving van certificaathouder in de zin van voormelde bepaling, bij [verzoeker] ligt.

3.6.1 Onderdeel 4 klaagt dat de Ondernemingskamer had moeten motiveren waarom zij ondanks het daarop gerichte verweer van [verzoeker] de onderzoeksperiode heeft doen aanvangen op 22 april 1993 in plaats van deze periode te beperken tot de periode vanaf januari 2002.

3.6.2 Het onderdeel faalt. Aan de Ondernemingskamer komt een grote mate van vrijheid toe bij het bepalen van de omvang van een door haar bevolen onderzoek. Op dit punt kunnen aan haar oordeel dan ook geen hoge motiveringseisen worden gesteld. In het bijzonder behoeft de Ondernemingskamer niet op alle stellingen van partijen die hierop betrekking hebben, in te gaan. Haar oordeel is, als in hoge mate van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. Nu de Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat al vanaf 1995 problemen bestaan tussen [verweerder 1] en [verzoeker] die betrekking hebben op het beleid van de vennootschap als aandeelhouder van SNF S.A., is haar oordeel dat een onderzoek nodig is vanaf de datum van oprichting van de vennootschap, niet onbegrijpelijk.

3.7.1 Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 3.7 waarin de Ondernemingskamer overweegt dat de door haar beschreven toestand van de vennootschap ruimschoots redenen oplevert voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Met deze toestand heeft de Ondernemingskamer, zoals het onderdeel ook veronderstelt, kennelijk het oog op het feit dat als gevolg van de tussen [verweerder 1] en [verzoeker] ontstane impasse en het terugtreden van MeesPierson Trust als bestuurder van de vennootschap en de Stichting, besluitvorming door de vennootschap en de Stichting niet meer tot stand komt, waardoor beide vennootschappen niet meer - kunnen - voorzien in het bestuur en de vennootschap en haar algemene vergadering van aandeelhouders in het geheel niet meer functioneren.

3.7.2 Het onderdeel voert aan dat het effect van de door de Ondernemingskamer vervolgens getroffen voorziening is dat de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder de beslissende stem heeft in de aandeelhoudersvergadering van SNF S.A. Door hetzij met [verzoeker] hetzij met [verweerder 1] mee te stemmen kan de bestuurder een vergaande invloed uitoefenen op het beleid van SNF S.A. Volgens het onderdeel heeft de Ondernemingskamer miskend dat een voorlopige voorziening als hier aan de orde is, alleen kan worden getroffen indien dit in verband met de toestand van de vennootschap noodzakelijk is, de voorziening naar haar aard een voorlopige is en bij het treffen van een zodanige voorziening rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van de betrokken partijen. De door de Ondernemingskamer getroffen voorziening brengt naar haar aard mee, aldus het onderdeel, dat de bestuurder door gebruik te maken van het stemrecht op de aandelen SNF S.A. onomkeerbare gevolgen voor partijen teweeg kan brengen. Uit de beschikking blijkt niet dat de Ondernemingskamer daarmee enige, laat staan voldoende rekening heeft gehouden en dat een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden. Het onderdeel klaagt ten slotte dat de Ondernemingskamer haar oordeel niet op een begrijpelijke wijze heeft gemotiveerd.

3.7.3 De Ondernemingskamer heeft in haar oordeel dat de toestand van de vennootschap "ruimschoots" reden oplevert voor de door haar getroffen maatregelen tot uitdrukking gebracht dat in de gegeven omstandigheden - in het bijzonder: het bestaan van een volledige impasse in de besluitvorming van de vennootschap - geen andere oplossing mogelijk was dan de aanwijzing van een tijdelijk bestuurder. De Ondernemingskamer was kennelijk van oordeel dat reeds daarom voor een verdergaande afweging van de belangen van partijen geen plaats meer was. De door de Ondernemingskamer getroffen voorziening is naar haar aard een tijdelijke maatregel. De omstandigheid dat de door de Ondernemingskamer aangewezen bestuurder kan meewerken aan besluitvorming waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn, kan daaraan niet afdoen. Aantekening verdient dat de benoeming van een (tijdelijk) bestuurder juist ertoe dient om besluitvorming die geen uitstel kan verdragen, mogelijk te maken. Het ontbreken van de mogelijkheid van besluitvorming kan immers eveneens tot onomkeerbare en onwenselijke gevolgen leiden. Het oordeel van de Ondernemingskamer behoefde dan ook geen verdere motivering dan zij heeft gegeven. Het onderdeel treft geen doel.

3.8 Onderdeel 6 klaagt dat de Ondernemingskamer ten onrechte de benoemde onderzoeker heeft gemachtigd tot het raadplegen van de boeken, bescheiden, en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van SNF S.A., zulks zoals in rov. 3.9 nader is omschreven. Deze klacht is gegrond. De Ondernemingskamer heeft miskend dat in het tweede lid van art. 2:351 BW uitdrukkelijk is bepaald dat deze machtiging alleen door haar kan worden gegeven op verzoek van de door haar benoemde personen indien dit voor een juiste vervulling van hun taak nodig is. Hieruit volgt dat de Ondernemingskamer niet ambtshalve of op verzoek van de partij die voorlopige voorzieningen vraagt, deze machtiging kan verlenen, doch alleen daarover kan beslissen naar aanleiding van een eventueel verzoek van de door haar benoemde onderzoeker waarin wordt toegelicht waarom deze machtiging in verband met een behoorlijke taakvervulling van de onderzoeker(s) in het onderhavige geval noodzakelijk is en waarover de betrokken rechtspersoon zo nodig en zo mogelijk kan worden gehoord. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen bespreking.

3.9 Onderdeel 7 betoogt dat het slagen van een van de voorgaande onderdelen betekent dat ook de beschikking van 12 augustus 2002 niet in stand kan blijven. Dit betoog gaat echter niet op voor het slagen van (alleen) onderdeel 6, zodat het onderdeel faalt.

3.10 Het slagen van onderdeel 6 heeft wel tot gevolg dat SNF S.A. geen belang (meer) heeft bij haar verweer in cassatie. In het midden kan blijven of zij in haar cassatieberoep ontvankelijk is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 augustus 2002 voor zover daarin mr. Van Andel is gemachtigd tot het raadplegen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van de vennootschap naar Frans recht SNF S.A., gevestigd te Saint Etienne, Frankrijk, zulks zoals in rechtsoverweging 3.9 van die beschikking nader is omschreven;

wijst het daarop betrekking hebbende (onderdeel van het) verzoek af;

verwerpt het cassatieberoep voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A. Hammerstein, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 6 juni 2003.