Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF9085

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-05-2003
Datum publicatie
23-05-2003
Zaaknummer
C01/279HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF9085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 774
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 295
NJ 2003, 496
RvdW 2003, 100
JWB 2003/218
JOR 2003/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 mei 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/279HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 6 november 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd - kort gezegd - de Bank te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording ter zake van het door haar gevoerde beheer met betrekking tot de gesequestreerde runderen.

De Bank heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 16 juni 1999 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 8 juni 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiseres] heeft op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

In juni 1979 heeft de Bank met [eiseres] een kredietovereenkomst gesloten ter financiering van het door haar geëxploiteerde veebedrijf. Het krediet bedroeg aanvankelijk ƒ 300.000,-- en is in 1983 verhoogd tot ƒ 900.000,--. In augustus 1981 heeft [eiseres] de tot haar bedrijf behorende runderen in zekerheidseigendom aan de Bank overgedragen. In februari 1984 heeft de Bank het krediet, wegens overschrijding van de vastgestelde limiet, opgezegd. Op 15 februari 1984 heeft de Bank vervolgens conservatoir beslag doen leggen op de runderen die zich toen in het bedrijf van [eiseres] bevonden. De rechtbank te Breda heeft op 21 februari 1984 de sequestratie van de runderen bevolen. Bij beschikking van die rechtbank van 15 mei 1984 is de firma [A] (verder: [A]) tot gerechtelijk bewaarder van de in beslag genomen runderen benoemd (in de plaats van een eerder benoemde gerechtelijk bewaarder). Op 14 juni en 6 juli 1984 zijn de toen nog op het bedrijf van [eiseres] aanwezige runderen overgebracht naar het bedrijf van [A]. Volgens [eiseres] ging het in totaal om 56 dieren, volgens de Bank om 54. Volgens de Bank zijn na het overbrengen van de runderen naar [A] vier kalveren geboren, volgens [eiseres] zes. Volgens de Bank zijn op en na 6 juli 1984 vier kalveren gestorven. [Eiseres] betwist dit omdat haar geen destructiebewijzen te dier zake zijn getoond. In de periode najaar 1984 tot oktober 1987 zijn de resterende runderen geslacht. De totale executieopbrengst bedroeg ƒ 218.892,64. Aan kosten heeft de Bank in totaal ƒ 109.957,26 uitgegeven.

3.2 De onderhavige procedure strekt tot het afleggen van rekening en verantwoording door de Bank van het door haar gevoerde beheer over de runderen. De Rechtbank en het Hof hebben de daartoe strekkende vordering van [eiseres] afgewezen, omdat - kort samengevat - de Bank reeds rekening en verantwoording heeft afgelegd en alle gegevens waarover zij beschikt, heeft verstrekt.

3.3 Het Hof heeft in rov. 4.5 overwogen dat uitgangspunt bij het doen van rekening en verantwoording is dat het gaat om de werkelijke ontvangsten en uitgaven, waarbij het Hof verwijst naar art. 774 (oud) Rv. In rov. 4.11 heeft het Hof de stelling van [eiseres] dat de runderen meer hadden kunnen opbrengen dan zij in werkelijkheid hebben opgebracht, verworpen met de overweging dat, al zou die stelling juist zijn, zulks niet tot de conclusie kan leiden dat de Bank nalatig is geweest in het doen van rekening en verantwoording jegens [eiseres], omdat het daarbij gaat om de werkelijke ontvangsten en uitgaven. Onderdeel 1.2 klaagt terecht dat het Hof met dit een en ander heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, "nopens hetgeen in het kader van een rekening en verantwoording van de rendant kan worden verlangd en hetgeen de gerendeerde kan verlangen". Het Hof heeft immers aldus miskend dat bij het afleggen van rekening en verantwoording ook bezwaren aan de orde kunnen komen met betrekking tot gemiste inkomsten die er hadden moeten zijn geweest, en werkelijke uitgaven die niet hadden mogen worden gedaan.

3.4 [Eiseres] heeft in dit geding gesteld dat de Bank met betrekking tot acht runderen geen rekening en verantwoording heeft afgelegd. Het Hof heeft deze stelling in rov. 4.8 verworpen en daartoe overwogen dat [eiseres] niet heeft gesteld dat de Bank ter zake van deze runderen inkomsten heeft genoten en dat [eiseres] kennelijk heeft bedoeld dat deze inkomsten door [A] zijn genoten. Dit betoog acht het Hof in de relatie tussen partijen niet steekhoudend

"waar het daarin erom gaat of de Bank destijds (ten tijde van de sequestratie en de uitwinning van de runderen) concrete aanwijzingen had dat op 14 juni 1984 niet 46 maar 48 runderen waren gesequestreerd en/of de opgaven van [A] met betrekking tot het aantal geboren en gestorven kalveren niet klopte[n]. Niet gebleken is dat de bank over dergelijke (concrete) aanwijzingen beschikte."

Onderdeel 3.3 voert terecht aan dat het Hof aldus is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de verplichting van de Bank als schuldeiser die is overgegaan tot de uitwinning van in zekerheid overgedragen zaken. In een situatie als de onderhavige omvat de verplichting van De Bank om rekening en verantwoording af te leggen immers ook de verplichting zulks te doen ten aanzien van het door de gerechtelijke bewaarder gevoerde beheer dat, zo het al niet is geschied in opdracht van de Bank, in elk geval voor rekening komt van de Bank die immers verantwoordelijk is voor de wijze waarop de uitwinning van de tot zekerheid dienende zaken heeft plaatsgevonden.

Onderdeel 3.4 dat is gericht tegen rov. 4.9 waarin het Hof van dezelfde onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, slaagt eveneens.

3.5 Onderdeel 2 van het middel verwijt het Hof te hebben miskend dat de procedure tot rekening en verantwoording zich in twee fasen behoort af te spelen: een eerste fase waarin slechts wordt beoordeeld en beslist of er een verplichting tot rekening en verantwoording bestaat en de tweede fase waarin rekening en verantwoording wordt afgelegd en het debat daarover wordt gehouden op de wijze als is voorzien in de art. 772-779 (oud) Rv. Het stelsel van de wet staat echter niet eraan in de weg dat partijen tijdens een procedure waarin blijkt dat de eerste fase overbodig is, doorgaan met de tweede fase en deze in dezelfde procedure voltooien. In de onderhavige procedure heeft de Bank niet betwist gehouden te zijn tot het afleggen van rekening en verantwoording. Het processuele debat tussen partijen is vervolgens voortgezet en had dan ook niet betrekking op het bestaan of de omvang van deze verplichting (de eerste fase), maar op de vraag of de door de Bank afgelegde rekening en verantwoording genoegzaam was. Hieruit moet worden opgemaakt dat beide partijen de rechtsstrijd hebben aanvaard op basis van een inhoudelijk debat over de rekening en verantwoording zoals de Bank die had afgelegd. Daaraan kan niet afdoen dat [eiseres] in de gedingstukken óók heeft gesteld dat de inhoudelijke discussie in de tweede fase zou moeten plaatsvinden. Zij heeft die discussie immers, zoals is weergegeven in onderdeel 2.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, desalniettemin tot onderwerp gemaakt van het geschil. Ook het Hof is daarvan kennelijk, en niet onbegrijpelijk, uitgegaan. De klachten van het onderdeel stuiten hierop af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 juni 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 329,65 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 mei 2003.