Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF8525

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2003
Datum publicatie
08-12-2003
Zaaknummer
37743
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF8525
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 37.743 5 december 2003 EC gewezen op het beroep in cassatie van X NV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 september 2001, nr. P99/01362, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 2084 met annotatie van Pijl
FED 2003/653
FED 2004/91
WFR 2003/1995
Belastingadvies 2004/1.5
V-N 2003/61.13 met annotatie van Redactie
BNB 2004/139 met annotatie van S. van Weeghel
FutD 2003-2236 met annotatie van Fiscaal up to Date
AA20040443 met annotatie van J.W. Zwemmer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.743

5 december 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X NV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 september 2001, nr. P99/01362, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.009.036.114 met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 244.065.084.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de zaak doen toelichten, belanghebbende door mr. M. Mees, advocaat te Amsterdam, de Staatssecretaris door mr. R.L.H. IJzerman, advocaat te 's Gravenhage.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 10 april 2003 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak en verwijzing van het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Beide partijen hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is een wereldwijd opererende financiële instelling. Zij is de moedermaatschappij in een fiscale eenheid, waarin X Bank NV is opgenomen. X Bank NV maakt deel uit van de bancaire tak van belanghebbende. De buitenlandse bancaire activiteiten in Brazilië worden verricht vanuit een vaste inrichting in Sao Paulo.

3.1.2. In het jaar 1993 deed zich in Brazilië een zeer sterke inflatie voor. Belanghebbende volgde bij de omrekening van vaste-inrichtingsresultaten van de lokale valuta naar Nederlandse guldens als "bestendige gedragslijn" de omrekening van de winst tegen de gemiddelde koers van het desbetreffende belastingjaar. In het onderhavige jaar bedroeg de koers van de Braziliaanse cruzeiro (hierna: BRC), ƒ 0,147 op 1 januari 1993 en ƒ 0,005949 op 31 december 1993.

3.1.3. Ter berekening van de belastingvrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting heeft belanghebbende de door haar op BRC 9.393.079.884 berekende winst van de vaste inrichting in Brazilië omgerekend tegen het gemiddelde van de valutakoersen op 1 januari en 31 december 1993, resulterend in een bedrag van ƒ 718.331.088. De Inspecteur heeft dit bedrag uiteindelijk met ƒ 705.282.486 gecorrigeerd. Het bedrag van de belastingvrijstelling daalde als gevolg van deze correctie met ƒ 246.848.870, zijnde 35% van de correctie.

3.1.4. De inkomstenbelasting van rechtspersonen in Brazilië kende - in ieder geval in 1993 - een correctiesysteem dat zich richtte op de gevolgen van inflatie voor de vaste activa en het eigen vermogen van de onderneming. Op basis van voorschriften van de Centrale Bank van Brazilië werd maandelijks een monetaire correctie doorgevoerd tegen percentages die werden voorgeschreven door de Centrale Bank. De monetaire correcties vonden plaats met betrekking tot het vermogen (ten laste van het resultaat) en met betrekking tot de vaste activa (ten gunste van het resultaat). Daarmee samenhangend kende het wettelijk systeem in Brazilië in 1993 voor fiscale toepassingen een zogenoemde fiscale referentie-eenheid (Unidade Fiscal de Referência)

3.1.5. Het geschil betreft twee vragen. In de eerste plaats is in geschil of de in Brazilië voor de berekening van de belastbare winst toegepaste monetaire correctie ook bij de berekening door Nederland van de buitenlandse winst in aanmerking moet worden genomen. De tweede in geschil zijnde vraag betreft de bij de omrekening van de BRC in Nederlandse guldens te hanteren omrekenkoers. Het Hof heeft de eerste vraag bevestigend beantwoord en met betrekking tot de tweede vraag geoordeeld dat hierbij de gewogen gemiddelde ultimo-maandkoers moet worden gehanteerd.

3.2. Bij de behandeling van middel II moet het volgende worden vooropgesteld. De buitenlandse winst dient niet hoger, maar ook niet lager te worden gesteld dan de winst, die in het buitenland tot uiting komt of kan komen, en die aldaar dus in beginsel in een naar de winst geheven belasting kan worden betrokken en ook zou worden betrokken in de veronderstelling, dat de buitenlandse fiscus met betrekking tot de belasting van de bedrijfswinst van voor hem buitenlandse belastingplichtigen zou handelen gelijk de Nederlandse fiscus volgens de hier te lande geldende voorschriften moet handelen met de bedrijfswinst van degenen die voor deze fiscus buitenlandse belastingplichtigen zijn, hetgeen medebrengt dat de winst van een buitenlands bedrijfsdeel in beginsel op de grondslag van de buitenlandse valuta zal moeten worden berekend (HR 10 maart 1993, nr. 28017, BNB 1993/209). Indien echter in het land waarin de vaste inrichting is gevestigd, bij voorbeeld in verband met omvangrijke inflatie van de locale valuta, de belastbare winst wordt berekend op de grondslag van een andere valuta of op de grondslag van een andere rekeneenheid, zal voor de berekening van de buitenlandse winst ook uitgegaan moeten worden van die andere valuta, respectievelijk die rekeneenheid. Het zou in strijd zijn met de doelstelling van een belastingverdrag bij de berekening van de buitenlandse winst te blijven uitgaan van de locale valuta indien deze valuta bij de vaststelling van de in het buitenland belaste winst geen of een ondergeschikte rol speelt. Hetzelfde heeft te gelden indien de winst weliswaar in de locale valuta wordt uitgedrukt, maar de belastbare winst door toepassing van een monetaire correctie in feite op basis van een andere valuta of rekeneenheid wordt vastgesteld. Alsdan zal bij de berekening van de buitenlandse winst rekening moeten worden gehouden met de in het buitenland toegepaste monetaire correctie.

3.3. Het Hof heeft overwogen dat de geldeenheid in het jaar van aanslag in wezen niet de BRC was doch de BRC na monetaire correctie en dat de inkomstenbelasting van rechtspersonen werd geheven naar rato van de winst uitgedrukt in fiscale referentie-eenheden. Het Hof heeft hiermee onder meer tot uitdrukking gebracht dat in Brazilië de winst van de vaste inrichting in feite niet berekend werd op basis van de BRC maar op basis van een fiscale referentie-eenheid waarnaar de winst door toepassing van de monetaire correctie wordt herrekend. Dit oordeel is van feitelijke aard en is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Middel II dat dit oordeel bestrijdt, faalt derhalve in zoverre. Het middel faalt ook voorzover het uitgaat van een andere opvatting dan hiervoor in 3.2 is weergegeven.

Het middel faalt ook voor het overige. Aan de arresten van de Hoge Raad van 4 mei 1960, nr. BNB 1960/161 tot en met 166, kan niet worden ontleend dat in een geval als het onderhavige, waarin de belastbare winst in Brazilië in feite naar een andere rekeneenheid wordt berekend dan de BRC, de buitenlandse winst berekend moet worden zonder rekening te houden met de in Brazilië bij de berekening van de belastbare winst toegepaste monetaire correctie. Na het vorenstaande behoeven de middelen I en III geen verdere behandeling.

3.4. Bij de behandeling van middel IV moet het volgende worden vooropgesteld.

3.4.1. De omrekening van de buitenlandse winst, berekend in de locale valuta, of, zoals in het onderhavige geval in de in het land van vestiging van de vaste inrichting door toepassing van een monetaire correctie gehanteerde rekeneenheid, naar de buitenlandse winst berekend in guldens of euro's, zal in een geval als het onderhavige, waarin ervan mag worden uitgegaan dat de winst uitgedrukt in guldens of euro's gelijkmatig over het jaar gerealiseerd wordt, in beginsel dienen te geschieden tegen het gemiddelde van de omrekenkoers bij het begin en het einde van het desbetreffende jaar. Indien echter de in de locale valuta uitgedrukte winst ten gevolge van een hyperinflatie niet gelijkmatig over het jaar gerealiseerd wordt, zal voor de omrekening een kortere periode, bij voorbeeld een maand, gehanteerd moeten worden. Dan zal de omrekenkoers voor iedere maand gesteld moeten worden op het gemiddelde van de omrekenkoers bij het begin en het einde van die maand.

3.4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het vrij te stellen resultaat van de vaste inrichting in Brazilië moet worden berekend tegen de gewogen gemiddelde ultimo-maandkoers omdat deze omrekening naar het oordeel van het Hof alleszins redelijk voorkomt en een omrekening tegen de gemiddelde jaarkoers tot een onevenwichtige uitkomst zou leiden. Middel IV, dat zich tegen dit oordeel keert, slaagt. Uit hetgeen hiervoor onder 3.4.1 is overwogen, volgt dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

3.5. Middel V kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

3.6. Gelet op het hiervoor in 3.4.2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Hierbij zij opgemerkt dat voor de omrekening moet worden uitgegaan van de winst na monetaire correctie omdat die winst bepalend is voor de berekening van de buitenlandse winst.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630 (€ 285,88), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2898 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2003.