Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF8484

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
38051
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 835 met annotatie van Van Gijlswijk
FutD 2003-0892
BNB 2003/256
FED 2003/292
WFR 2003/855, 1
V-N 2003/28.13

Uitspraak

Nr. 38.051

9 mei 2003

wv

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 januari 2002, nr. BK-00/02769, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.701, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klacht

Bij akte van 26 maart 1998 heeft belanghebbende door het betalen van een bedrag van ƒ 16.410 zijn verplichting tot het betalen van een jaarlijkse canon afgekocht. Het Hof heeft geoordeeld dat de betaling van ƒ 16.410 niet een periodieke betaling ingevolge een erfpachtsrecht is in de zin van artikel 42a, lid 1, juncto artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dat oordeel is juist. In dit verband is niet van belang dat belanghebbende, direct aansluitend aan de afkoop van de canon, tevens de eigendom van de grond verworven heeft. De tegen dit oordeel van het Hof gerichte klacht faalt mitsdien.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2003.