Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF8254

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-09-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
C01/264HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF8254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

12 september 2003 Eerste Kamer Nr. C01/264HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres],

wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.E.M.G. Peletier, thans mr. A.G. Castermans,

t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. A.J. Swelheim. 1. Het geding in feitelijke instanties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/242
JOL 2003, 430
NJ 2004, 177 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
RvdW 2003, 142
JAR 2003, 242
VR 2004, 100
AV&S 2004, 15
JWB 2003/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 september 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/264HR

RM/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. M.E.M.G. Peletier, thans mr. A.G. Castermans,

t e g e n

[Verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. A.J. Swelheim.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 6 april 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Breda en gevorderd voor recht te verklaren dat [verweerster] aansprakelijk is voor het aan [eiseres] overkomen arbeidsongeval, met veroordeling van [verweerster] tot betaling van de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 12 juli 2000 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.

Bij vonnis van 22 mei 2001 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en aan de zijde van [eiseres] mede door mr. M.C.J. Jehee, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan, ten dele veronderstellenderwijs, van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] is op 1 december 1994 als schoonmaakster in dienst getreden bij [verweerster]. [Eiseres] verrichtte haar werkzaamheden in dienst van [verweerster] in een gebouw van Philips aan de Kapittelweg te Breda.

(ii) Op 25 september 1996 verrichtte [eiseres] de gebruikelijke schoonmaakwerkzaamheden in het Philipsgebouw. Op enig moment zag zij dat een beker koffie op een bureau was omgevallen en dat de koffie naar beneden was gedropen. Naast het bureau stond een plant op een tafeltje. [Eiseres] verzette de plant voorzover haar dit mogelijk was, boog zich over het tafeltje heen, steunde met haar linkerhand op het bureau en veegde met een doek die zij in haar rechterhand hield, de vies geworden plek schoon. Daarbij verloor zij haar evenwicht en verwondde de wijsvinger van de hand waarmee zij aan het schoonmaken was (hierna: het ongeval). Nadien is een posttraumatische dystrofie ontstaan.

3.2 [Eiseres] heeft haar onder 1 weergegeven vordering gebaseerd op art. 7:658 BW. [Verweerster] heeft de vordering bestreden. Zij voerde aan dat zij haar verplichtingen, bedoeld in art. 7:658 lid 1, is nagekomen en voegde daaraan toe dat het ongeval niet voorkomen had kunnen worden door het treffen van (specifieke) veiligheidsmaatregelen.

3.3 Nadat de Kantonrechter de vordering had afgewezen, heeft de Rechtbank dit vonnis bekrachtigd. Zij overwoog daartoe met name dat uit de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval niet is af te leiden dat [eiseres] - als gevolg van onvoldoende of ondeugdelijke instructies - de koffievlek ten onrechte heeft verwijderd, haar werkzaamheden op een gevaarlijke manier heeft uitgevoerd of haar evenwicht heeft verloren door te haastig te werken. De verplichting van [verweerster] haar werknemers aanwijzingen te geven gaat niet zo ver dat zij voor elke mogelijk te verrichten handeling gedetailleerde voorschriften moest geven. Gelet op de periode gedurende welke [eiseres] al ter plaatse werkte en het feit dat het verwijderen van de koffievlek tot haar gewone werkzaamheden behoorde, valt in redelijkheid niet in te zien dat zij advies aan een leidinggevende had willen of moeten vragen voordat zij de koffievlek verwijderde (rov. 3.8). Evenmin valt in te zien dat [verweerster] een zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden waarvan de nakoming het ongeval had kunnen voorkomen. Ook was geen sprake van een situatie die [verweerster] als gevaarlijk had behoren te onderkennen en waarvoor zij [eiseres] krachtens de wet of de toepasselijke CAO had dienen te waarschuwen en/of met het oog waarop zij maatregelen had dienen te nemen en/of aanwijzingen had behoren te geven (rov. 3.9). [Verweerster] is dus niet tekortgeschoten in de naleving van de op haar jegens [eiseres] rustende zorgplicht (rov. 3.10).

3.4 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel wordt vooropgesteld dat met art. 7:658 lid 1 BW niet is beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Deze bepaling heeft tot strekking een zorgplicht in het leven te roepen en verplicht de werkgever voor het verrichten van arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (HR 10 juni 1983, nr. 12.038, NJ 1984, 20; HR 4 oktober 2002, nr. C01/304, JAR 2002, 259).

3.5 Onderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 3.8 van het door de Rechtbank gewezen vonnis. Het onderdeel voert in de eerste plaats aan dat deze overweging onbegrijpelijk is, nu [eiseres] heeft aangevoerd dat zij niet in staat was de haar opgedragen werkzaamheden binnen de daarvoor gegeven tijd te verrichten, op welke stelling de Rechtbank niet is ingegaan. Deze klacht mist belang nu de Rechtbank feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat uit de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval niet is af te leiden dat zij haar evenwicht heeft verloren door te haastig werken.

Het onderdeel betoogt voorts dat [eiseres] zich mede erop heeft beroepen dat zij niet wist dat zij twee collega's had kunnen vragen haar te helpen met het versjouwen van het tafeltje met de plant en dat slechts incidenteel werd besproken welke prioriteiten dienden te worden gesteld. De Rechtbank heeft deze gronden van de vordering kennelijk verworpen met haar overweging dat uit de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval niet is af te leiden dat zij, bijvoorbeeld als gevolg van onvoldoende of ondeugdelijke instructies, de koffievlek ten onrechte heeft verwijderd. Dit met de feiten verweven oordeel is niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst.

Het onderdeel voert ten slotte aan dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is nu de Rechtbank heeft miskend dat de onderhavige schoonmaakactiviteit werd verricht op een lastig te bereiken plaats en uiteindelijk tot resultaat had dat [eiseres] haar evenwicht verloor. In de overweging van de Rechtbank dat uit de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval niet valt af te leiden dat zij voor een gevaarlijke wijze van uitvoering van de werkzaamheden heeft gekozen, ligt echter besloten dat [verweerster] wat betreft de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden jegens [eiseres] niet is tekortgeschoten in de op haar krachtens art. 7:658 lid 1 BW rustende zorgplicht door in zoverre geen instructies te geven, maatregelen te treffen of toezicht te houden. Ook dit oordeel is niet onbegrijpelijk en kan, verweven met waarderingen van feitelijke aard als het is, in cassatie niet verder worden getoetst.

Onderdeel 1.1 faalt mitsdien in zijn geheel.

3.6 Onderdeel 1.2 stelt dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de rechtsplicht van [verweerster] haar werknemers zoals [eiseres] instructies te geven, te beperken tot gedetailleerde instructies. Deze rechtsplicht omvat echter mede het geven van algemene aanwijzingen ter zake van werkhouding, het verplaatsen van zware voorwerpen of het omgaan met werkdruk, mede gezien het feit dat art. 7:658 BW juist ook bescherming biedt tegen onoplettendheid bij vaak voorkomende, routinematig uitgevoerde, werkzaamheden. Zou de Rechtbank in zoverre wél zijn uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, dan heeft zij haar oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag omdat de Rechtbank met haar impliciete oordeel dat geen sprake is geweest van onvoldoende of ondeugdelijke instructies, kennelijk mede het oog heeft gehad op instructies van algemene aard zoals door het onderdeel bedoeld.

3.7 Onderdeel 2 strekt in de kern ten betoge dat reeds het enkele feit dat in het bedrijf van [verweerster] een bijgewerkte en geëvalueerde risicoinventarisatie in de zin van art. 4 (oud) Arbeidsomstandighedenwet ontbrak, meebrengt dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting gemotiveerd te stellen dat zij haar in art. 7:658 lid 1 BW bedoelde zorgplicht jegens [eiseres] is nagekomen.

Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het is immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de in art. 7:658 lid 1 bedoelde zorgplicht meebrengt dat een werkgever vooraf een inventarisatie van de veiligheidsrisico's dient te maken betreffende het werk waarvoor hij zijn werknemer inzet en of de werkgever een interne regeling dient te hebben die ertoe strekt de werknemers duidelijk te maken op welke wijze in hun werk onveilige situaties vermeden kunnen en moeten worden en op welke wijze veiligheidsrisico's moeten worden bepaald (HR 16 mei 2003, nr. C 01/156, RvdW 2003, 94).

De op dit onjuiste uitgangspunt voortbouwende verdere klachten van het onderdeel behoeven, voorzover zij al feitelijke grondslag hebben, derhalve geen bespreking.

De door het onderdeel voorts nog naar voren gebrachte klacht dat art. 7:658 lid 1 BW geen causaal verband vereist tussen de door de werkgever redelijkerwijs te treffen veiligheidsmaatregelen en het ongeval dat tot de schade heeft geleid, berust eveneens op een onjuiste rechtsopvatting. Al aangenomen dat het ontbreken van een bijgewerkte en geëvalueerde risicoinventarisatie in de zin van art. 4 Arbeidsomstandighedenwet in het concrete geval een tekortkoming van de werkgever tegenover de werknemer zou inhouden, kan de werkgever immers ook in dat geval aan zijn aansprakelijkheid ontkomen door aan te tonen dat een risicoinventarisatie die aan de daaraan te stellen eisen voldeed, het ongeval niet zou hebben voorkomen (vgl. HR 10 december 1999, nr. C98/202, NJ 2000, 211).

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 286,89 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 12 september 2003.