Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF8157

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-05-2003
Datum publicatie
02-05-2003
Zaaknummer
37857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/269 met annotatie van H.W.M. VAN KESTEREN
FED 2003/276
WFR 2003/812
V-N 2003/24.18 met annotatie van Redactie
FutD 2003-0845
NTFR 2003/870 met annotatie van mr. C.J. Hummel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.857

2 mei 2003

whk

gewezen op het beroep in cassatie van V.o.f. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 november 2001, nr. P 00/03380, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 10.878, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De activiteiten van belanghebbende bestaan onder meer uit het tegen vergoeding verrichten van echografieën. De feitelijke werkzaamheden worden verricht door een van de vennoten, A. Zij is een gediplomeerd radiodiagnostisch laborant en is als zodanig ingeschreven in het register van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ook heeft zij een echografie-opleiding gevolgd. Belanghebbende werft haar klanten onder meer via advertenties in de Gouden Gids. Klanten benaderen belanghebbende op eigen initiatief. Belanghebbendes activiteiten bestaan voor ongeveer 98% uit het op verzoek van de klant maken van foto's en filmpjes van het ongeboren kind in de baarmoeder en voor het overige uit het maken van andere echografieën, zoals gynaecologische echografieën en mammografieën.

A werkt zelfstandig, dat wil zeggen niet op aanwijzing of onder verantwoordelijkheid van een arts.

De Inspecteur heeft, zich op het standpunt stellend dat op deze echografieën de vrijstelling, neergelegd in artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) toepassing mist, de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft vooropgesteld:

- dat de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG) regels geeft inzake handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg en daaronder blijkens artikel 1 verstaat handelingen op het gebied van de geneeskunst en alle andere verrichtingen die rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en ertoe strekken diens gezondheid te bevorderen of te bewaken;

- dat in de nota van toelichting bij artikel 26 van het Besluit houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de radiodiagnostisch laborant en de radiotherapeut van 19 november 1997, Stb. 1997/551 (hierna: het Besluit) is vermeld dat het beroep van echografist buiten het kader van het Besluit valt;

- dat in artikel 26 van het Besluit het gebied van de deskundigheid van een radiodiagnostisch laborant is omschreven als het in opdracht van een arts of een tandarts uitvoeren van een radiodiagnostisch onderzoek.

Hieruit heeft het Hof afgeleid dat het enkele maken van echo's zonder enig verband met een medische behandeling van een persoon of het bevorderen of het bewaken van de gezondheid van die persoon, niet behoort tot de uitoefening van het beroep van radiodiagnostisch laborant, en dat de desbetreffende werkzaamheden mitsdien niet vallen onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet. Daarbij heeft het Hof opgemerkt dat dit oordeel strookt met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2000, nr. C-384/98, Jurispr. 2000, blz. I-6795, V-N 2000/45.17, inzake de met artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet corresponderende bepalingen van artikel 13, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn met betrekking tot het aldaar gebezigde begrip "gezondheidskundige verzorging van de mens".

3.3. Voorzover de middelen betogen dat ter regeling van het beroep van echografist, indien dit wordt uitgeoefend door iemand die is opgeleid als diagnostisch laborant, voorschriften zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, kunnen zij geen doel treffen, daar zulke regels in ieder geval niet zijn gesteld voor het uitoefenen van echografie, anders dan in opdracht van een persoon die zijn bevoegdheid ontleent aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 36 en 37 van genoemde wet, en het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat in de echografiepraktijk van belanghebbende niet krachtens zulke opdrachten wordt gewerkt.

De middelen falen ook voorzover zij betogen dat het buiten de werking van de vrijstelling plaatsen van niet in opdracht van een medicus uitgeoefende echografie in strijd is met artikel 13,A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn. Deze bepaling laat het aan de lidstaten over de beroepen te omschrijven in het kader waarvan de gezondheidskundige verzorging is vrijgesteld. Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, omvat die bevoegdheid het definiëren van beroepen op basis van kenmerken welke verband houden met in een bepaalde lidstaat voor de beroepsuitoefening geldende waarborgen van medische professionaliteit.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2003.