Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF8050

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2003
Datum publicatie
17-06-2003
Zaaknummer
02729/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF8050
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De klacht dat het Hof bij het ondervragen van getuige [getuige 1] de verdediging onaanvaardbaar het stellen van vragen aan de getuige heeft belet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2003

Strafkamer

nr. 02729/02

IV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 september 2002, nummer 22/001136-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 7 mei 2001 - de verdachte ter zake van 1 primair "medeplegen van moord, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is", 3 primair "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven of beroofd houden" en 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de

Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot twintig jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beroep voorzover dat is gericht tegen het tussenarrest van 18 december 2001 en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het op 1 oktober 2002 ingestelde cassatieberoep richt zich kennelijk mede tegen de ter terechtzitting van 18 december 2001 gegeven tussenuitspraak. Nu het onderzoek ter terechtzitting nadien ter terechtzitting van 15 januari 2002 wegens een gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw is aangevangen, kan de verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen voorzover dit is gericht tegen de tussenuitspraak van het Hof van 18 december 2001, aangezien de einduitspraak niet mede berust op die tussenuitspraak. Het eerste en het tweede middel behoeven derhalve geen bespreking.

4. Beoordeling van het negende en het elfde middel

Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Het negende en het elfde middel voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

5. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep voorzover dit is gericht tegen het tussenarrest van het Hof van 18 december 2001;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 17 juni 2003.