Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7884

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
C01/262HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Nr. C01/262HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.A.A. Duk. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 382
NJ 2003, 603
RvdW 2003, 124
VR 2004, 101
AV&S 2003, p. 214
JWB 2003/294

Uitspraak

11 juli 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/262HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink,

t e g e n

[verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 10 maart 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Dordrecht en gevorderd zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen aan [verweerder] diens schade te betalen, door hem geleden en nog te lijden ten gevolge van het hem op 2 juli 1987 overkomen bedrijfsongeval, welke schade deels reeds concreet is becijferd op ƒ 742.737,09 en voor het overige is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 7 januari 1999 op 22 januari 1999 gehouden comparitie van partijen heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 11 februari 1999 twee deskundigen benoemd met de opdracht de Kantonrechter schriftelijk te berichten met betrekking tot de vraagstelling zoals in het tussenvonnis onder rov. 5 weergegeven. Na deskundigenrapport heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 18 november 1999 [eiseres] veroordeeld tot tussentijdse betaling van een (voorschot op de) schadevergoeding van ƒ 250.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 1991 tot aan de voldoening. De Kantonrechter heeft dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en voorts [verweerder] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hetgeen in dit vonnis onder 7 is aangegeven, [verweerder] toegelaten tot bewijs, de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen de tussenvonnissen van 7 januari, 11 februari en 18 november 1999 heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Dordrecht.

Na op 22 november 2000 een tussenvonnis te hebben gewezen, heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 30 mei 2001 het tussenvonnis van de Kantonrechter van 18 november 1999 met verbetering van gronden bekrachtigd, met dien verstande dat [verweerder] tevens werd toegelaten tot het onder 2 van het eindvonnis vermelde bewijs. De Rechtbank heeft de zaak teruggewezen naar de Kantonrechter voor verdere beslissing van het geschil.

Het eindvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het be-streden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Verweerder] is in 1976 bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van allround vakman (metselen, timmeren enz.).

(ii) Tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden is [verweerder] op 2 juli 1987 een ongeval overkomen (hierna: het ongeval). Na enige tijd arbeidsongeschikt te zijn geweest, heeft hij zijn werkzaamheden bij [eiseres] hervat. Hij is toen herhaaldelijk uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. In september 1990 heeft [verweerder] de werkzaamheden voor [eiseres] definitief gestaakt wegens arbeidsongeschiktheid. In september 1991 is het dienstverband tussen partijen geëindigd omdat [verweerder] vanwege de gevolgen van het ongeval de overeengekomen werkzaamheden niet meer kon verrichten.

(iii) In 1991 heeft [verweerder] [eiseres] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval. [Eiseres] heeft haar aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

(iv) In 1991 is [verweerder] medisch gekeurd in verband met zijn aanvraag van een AAW/WAO-uitkering. Hem is vervolgens een uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35-45%. [Verweerder] werd volledig arbeidsongeschikt geacht voor het met [eiseres] overeengekomen werk.

In maart 1996 is het arbeidsongeschiktheidspercentage verlaagd tot 15-25.

[Verweerder] heeft per september 1992 voor 12 uur, per september 1994 voor 20 uur en vanaf mei 1996 voor ca. 25 uur per week gewerkt als sigarettenautomatenvuller. Per 1 september 1996 is hij in een cafetaria gaan werken voor 25 uur per week.

Sinds 17 februari 1997 is [verweerder] volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO.

(v) De verzekeraar van [eiseres] heeft twee voorschotbetalingen aan [verweerder] gedaan ten belope van in totaal ƒ 45.000,--, zonder daarmee te erkennen dat [verweerder] arbeidsvermogensschade heeft geleden.

3.2 [Verweerder] heeft zijn onder 1 weergegeven vordering gebaseerd op het ongeval. Hij heeft zijn schade in een reeks posten gespecificeerd. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op een door hem in het geding gebracht expertiserapport.

[Eiseres] heeft haar aansprakelijkheid voor het ongeval weliswaar erkend, maar ten aanzien van de gevolgen die dit voor [verweerder] heeft gehad en de in verband daarmee gestelde schadeposten een reeks verweren gevoerd. Deze verweren zijn door de Kantonrechter in de door haar gewezen tussenvonnissen grotendeels verworpen. Omdat naar het oordeel van de Kantonrechter inmiddels voldoende was komen vast te staan dat [eiseres] een aanzienlijk bedrag aan [verweerder] zou moeten betalen, heeft zij [eiseres] in het derde door haar gewezen tussenvonnis veroordeeld het onder 1 vermelde voorschot van ƒ 250.000,-- op de schadevergoeding aan [verweerder] te voldoen, met wettelijke rente vanaf 9 juli 1991.

3.3 In het door [eiseres] tegen deze tussenvonnissen ingestelde hoger beroep heeft zij onder meer een grief aangevoerd tegen de hoogte van deze voorschotbetaling en de ingangsdatum van de wettelijke rente. Dienaangaande heeft de Rechtbank in rov. 17 van haar tussenvonnis als volgt overwogen:

"Voor een oordeel ter zake is het noodzakelijk dat de rechtbank inzicht heeft in de wijze waarop de gestelde schade, met name de post 'verlies van arbeidsvermogen' [... in het expertiserapport], is berekend. De bijlagen waarnaar dit rapport verwijst, in het bijzonder de Audalet-berekening van 11 oktober 1996, zijn echter niet overgelegd. [Verweerder] zal worden gelast deze bijlagen alsnog bij akte in het geding te brengen. Of de kantonrechter terecht wettelijke rente over het te betalen voorschot heeft toegekend, kan pas worden beoordeeld nadat de rechtbank inzicht in de hiervoor genoemde berekening heeft verkregen."

Nadat [verweerder] de Audalet-berekening bij akte in het geding had gebracht, heeft de Rechtbank in rov. 5 van haar eindvonnis het volgende overwogen:

"In dit verband is van belang dat de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de zorgverplichting ex art. 7A:1638x BW heeft plaatsgevonden op 2 juli 1987. Nu blijkens de in het geding gebrachte Audalet-berekening d.d. 11 oktober 1996 de schade is begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens, wordt de verbintenis tot schadevergoeding geacht haar bestaan te zijn aangevangen op het moment van de toerekenbare tekortkoming, derhalve op 2 juli 1987. Op grond van art. 182 jo. 68a lid 2 Overgangswet NBW is op de verschuldigdheid van wettelijke rente over de schadevergoedingsverbintenis art. 1286 BW (oud) van toepassing, hetgeen meebrengt dat de wettelijke rente berekend wordt vanaf de dag der dagvaarding of, na een aanmaning met de mededeling dat de crediteur aanspraak maakt op vergoeding van interessen, de dag waartegen is aangemaand. In het onderhavige geval heeft [verweerder] bij brief van 1 juli 1991 onder vermelding van zijn aanspraak op wettelijke rente [eiseres] aangemaand binnen 8 dagen te betalen, zodat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 9 juli 1991. De grief faalt derhalve in zoverre."

3.4 Het middel is gericht tegen rov. 5 uit het eindvonnis van de Rechtbank. Onderdeel A, dat in een reeks klachten uiteenvalt, betreft het tijdstip waarop de verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan. Het betoogt - samengevat weergegeven - dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of althans de door [eiseres] in het geding gebrachte Audalet-berekening onbegrijpelijk heeft uitgelegd. Daarin is de door [verweerder] gevorderde schade immers gekapitaliseerd tegen 1 januari 1997. Onderdeel B, dat eveneens een aantal klachten omvat, keert zich tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente over het door de Rechtbank aan [verweerder] toegewezen voorschot.

3.5 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. In zijn arrest van 17 oktober 1997, nr. 16.413, NJ 1998, 508, heeft de Hoge Raad geoordeeld over de vraag wanneer een vordering tot vergoeding van toekomstige inkomensschade van het slachtoffer van een ongeval rentedragend wordt naar het voor 1 januari 1992 toepasselijke recht. Het antwoord op deze vraag is in belangrijke mate afhankelijk van de wijze waarop de schade door de rechter wordt begroot. De wijze van begroting bepaalt immers op welk tijdstip de desbetreffende schade geacht moet worden te zijn geleden.

Indien de rechter de schade begroot op een gekapitaliseerd bedrag ineens ter zake van toekomstige schade, moet deze schade geacht worden te zijn geleden op de bij deze kapitalisering tot uitgangspunt genomen peildatum. Dit geldt zowel indien de rechter als peildatum voor de dag van het ongeval kiest, als wanneer hij in verband met de omstandigheden van het geval daarvoor een later moment aangewezen acht. In al deze gevallen wordt de vordering rentedragend op het moment waarop de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim komt, waarvoor naar oud recht niet alleen was vereist dat de vordering opeisbaar was geworden, maar ook dat door of namens de schuldeiser de in art. 1286 lid 3 (oud) BW bedoelde aanmaning en mededeling waren gedaan. In het arrest ligt besloten dat ook indien de rechter de schade begroot met als peildatum een later moment dan de dag van het ongeval, de vordering rentedragend wordt door de zojuist bedoelde aanmaning en mededeling, ongeacht of deze is uitgebracht voor de datum waartegen de rechter de schade kapitaliseert, of daarna. Ook in dat eerste geval is immers voldaan aan de strekking van deze aanmaning en mededeling, namelijk de schuldenaar te waarschuwen dat de schuldeiser nakoming verlangt en, bij uitblijven daarvan, aanspraak maakt op de wettelijke rente.

Indien de rechter de schade evenwel begroot op concrete bedragen die periodiek opeisbaar worden, zal telkens na opeisbaar worden daarvan opnieuw moeten worden aangemaand, zo is in meergenoemd arrest beslist.

3.6 In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank in de hiervoor in 3.3 geciteerde rov. 5 van haar eindvonnis voor de begroting van de door [verweerder] geleden schade klaarblijkelijk aansluiting gezocht bij de door deze in het geding gebrachte Audalet-berekening, waarop [verweerder] zijn vordering mede heeft gebaseerd. Hoewel de Rechtbank niet was gehouden [verweerder] te volgen in de daarin gevolgde wijze van schadeberekening en de daarbij gekozen peildatum, omdat zij dienaangaande een grote vrijheid had, was het op zichzelf niet onjuist of onbegrijpelijk dat wél te doen. In de Audalet-berekening wordt echter onderscheid gemaakt tussen een "som verschenen schade" ten belope van ƒ 196.565,61, waarvoor als peildatum 1 januari 1997 is aangehouden, en een "som contante waarde toekomstige schade", waarmee is gedoeld op inkomensschade die na deze datum zal worden geleden, die op ƒ 346.786,95 is begroot. In dit licht klaagt onderdeel A terecht dat de Rechtbank haar oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Zij heeft immers overwogen dat "de verbintenis tot schadevergoeding geacht [wordt] haar bestaan te zijn aangevangen op het moment van de toerekenbare tekortkoming, derhalve op 2 juli 1987". Deze beslissing is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onverenigbaar met de aan de - door de Rechtbank gevolgde - Audalet-berekening ten grondslag gelegde peildatum van 1 januari 1997.

3.7 Onderdeel B, dat de ingangsdatum van de wettelijke rente betreft, behoeft in verband met het vorenoverwogene geen behandeling. Na vernietiging zal de rechter naar wie de zaak wordt verwezen, zich opnieuw een oordeel hebben te vormen over de wijze waarop de onderhavige schade moet worden begroot en de in verband daarmee te kiezen peildatum.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 30 mei 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 360,50 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 juli 2003.