Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7802

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
37835
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21637
Belastingblad 2003/793
BNB 2003/226 met annotatie van W.J.N.M. Snoijink
FED 2003/264
FED 2003/377
WFR 2003/767, 1
V-N 2003/25.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.835

25 april 2003

wv

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 2 november 2001, nr. 870/98, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 486.000.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft het Hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente Emmen (hierna: het Hoofd) bij uitspraak de waarde nader vastgesteld op ƒ 478.000.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van het Hoofd vernietigd en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op ƒ 453.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

3. Uitgangspunten in cassatie

Bij beschikking van 8 maart 1997 is de waarde van belanghebbendes woning vastgesteld op ƒ 486.000. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Hoofd de waarde verminderd met een bedrag van ƒ 8000 wegens de staat van onderhoud. Belanghebbende is tegen de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen en heeft een waardevermindering van 20% bepleit in verband met de aanwezigheid van asbestbeplating in de garage en het stookhok. Het Hoofd heeft voor het Hof aangevoerd dat het waardedrukkende effect van de aanwezigheid van asbesthoudende materialen kan worden gesteld op circa ƒ 4000, dat de waardecorrectie moet worden gesteld op het bedrag dat nu dient te worden gereserveerd en belegd om op het moment waarop tot verwijdering wordt overgegaan ƒ 4000 voorhanden te hebben, dat er echter geen plicht is om tot verwijdering over te gaan, en dat met een waardeverminderend effect ruimschoots rekening is gehouden door de waardevermindering van ƒ 8000.

4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - de met de verwijdering van asbesthoudend materiaal en daaruit voortvloeiende herstelwerkzaamheden gemoeide kosten gesteld op ƒ 25.000. Vervolgens heeft het Hof, zonder enige motivering, dat bedrag volledig in mindering gebracht op de door het Hoofd bij zijn uitspraak op het bezwaarschrift vastgestelde waarde per 1 januari 1995 van ƒ 478.000.

4.2. Indien daaraan ten grondslag ligt de opvatting dat de waardedrukkende invloed van de aanwezigheid van asbesthoudende materialen onder alle omstandigheden moet worden gesteld op de kosten van verwijdering en herstel, berust niet alleen 's Hofs oordeel dat de waarde moet worden bepaald op ƒ 453.000 op een onjuiste rechtsopvatting, maar geldt hetzelfde voor zijn eerder gegeven oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat bij de waardering door het Hoofd in voldoende mate rekening is gehouden met het waardedrukkende aspect van de aanwezige asbest. Het is immers in het algemeen geenszins ondenkbaar dat bij een veronderstelde verkoop op de peildatum de hoogst biedende gegadigde ervoor kiest de asbesthoudende materialen niet of pas in de toekomst te verwijderen, in welk geval hij de waardedrukkende invloed van de aanwezigheid van die materialen zou stellen op een lager bedrag dan dat van de kosten van directe verwijdering en herstel. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld of het asbesthoudende materiaal al of niet direct gevaar oplevert en of er al of niet een plicht tot verwijdering bestaat.

4.3. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting is zonder motivering, welke echter onbreekt, niet begrijpelijk waarom in dit geval - waarin, nu het Hof de stelling van het Hoofd dienaangaande onbehandeld heeft gelaten, veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat geen plicht tot verwijdering bestaat - de waardedrukkende invloed moet worden gesteld op het volle bedrag van de verwijderings- en herstelkosten.

4.4. Het middel, waarin hierop gerichte klachten besloten liggen, slaagt derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het middel berust op feiten waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan. Daarop kan geen acht worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

6. Proceskosten

Noch wat betreft het principale cassatieberoep, noch wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidentele beroep ongegrond,

verklaart het principale beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2003.