Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7539

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
R02/010HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Nr. R02/010HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], 2. [Eiseres 2], erfgenamen van [betrokkene 1], beiden wonende op [woonplaats], EISERESSEN tot cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude, t e g e n [Verweerster], wonende op [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 373
JWB 2003/289

Uitspraak

11 juli 2003

Eerste Kamer

Nr. R02/010HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

2. [Eiseres 2], erfgenamen van [betrokkene 1],

beiden wonende op [woonplaats],

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

[Verweerster],

wonende op [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 24 februari 1999 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, hierna: het Gerecht, ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - zich gewend tot dat Gerecht. Na wijziging van eis bij conclusie van repliek heeft [verweerster] gevorderd:

1. [Betrokkene 1] - verder te noemen: [betrokkene 1] - te bevelen mee te werken aan de levering aan haar van het woonhuis, gelegen te [adres], onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 500,-- voor elke dag of gedeelte van een dag dat [betrokkene 1] in gebreke blijft aan het rechterlijk bevel te voldoen, althans

2. [Betrokkene 1] te veroordelen aan haar te betalen ter zake onrechtmatige daad dan wel wanprestatie een schadevergoeding van Afl. 17.959,50, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 8 december 1999 tot de dag der algehele voldoening en het bedrag van Afl. 2.500,-- vermeerderd met de wettelijke rente sedert 26 september 1990 tot de dag der algehele voldoening, althans

3. [Betrokkene 1] te veroordelen aan [verweerster] te betalen ter zake ongerechtvaardigde verrijking een bedrag van Afl. 2.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 1990 tot de dag der algehele voldoening.

[Betrokkene 1] heeft de vorderingen bestreden.

Het Gerecht heeft bij vonnis van 14 juni 2000 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, hierna: het Hof. Bij memorie van grieven heeft [verweerster] haar subsidiaire en meer subsidiaire vordering gewijzigd en geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar gewijzigde vordering zal toewijzen.

Bij tussenvonnis van 15 mei 2001 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast. De bevolen comparitie van partijen heeft, ook na herhaalde aanhouding, niet plaatsgehad. Bij eindvonnis van 16 oktober 2001 heeft het Hof het vonnis van het Gerecht vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [betrokkene 1] veroordeeld om aan [verweerster] tegen kwijting te betalen de bedragen van Afl. 2.500,-- en Afl. 14.700,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 1999, respectievelijk 8 december 1999, tot de dag van algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.

Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van het Hof hebben de erfgenamen van de op 6 januari 2002 overleden [betrokkene 1] - hierna eveneens te noemen: [betrokkene 1] - beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Aan de hiervóór onder 1 vermelde vorderingen van [verweerster] die strekken tot nakoming van na te melden koopovereenkomst en tot betaling van schadevergoeding is onder meer ten grondslag gelegd dat tussen haar als koper en [betrokkene 1] als verkoper een koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot een woning aan de [adres] te [plaats]. [Verweerster] heeft zich daarbij beroepen op de verklaring die is weergegeven in 1.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

[Betrokkene 1] heeft het bestaan van deze overeenkomst ontkend. Het Gerecht heeft de vorderingen van [verweerster] afgewezen. Het Hof heeft in zijn eindvonnis overwogen dat sprake is van een koopovereenkomst tussen partijen, voortvloeiende uit een aanbod van [betrokkene 1] gevolgd door de aanvaarding daarvan door [verweerster]. Bij deze overeenkomst is de woning voor Afl. 16.500,-- verkocht, waarvan een gedeelte van Afl. 2.500,-- is aanbetaald (rov. 3). Omdat [betrokkene 1] slechts medegerechtigde was tot de boedel waartoe de woning behoort, was hij niet tot levering in staat en is hij daarom, aldus het Hof (rov. 4 en 5), schadeplichtig. Die schade bestaat in de eerste plaats uit het bedrag van Afl. 2.500,-- dat [verweerster] aan [betrokkene 1] heeft betaald. Het beroep op verrekening dat [betrokkene 1] heeft gedaan, wordt door het Hof verworpen, omdat onvoldoende van een tegenvordering van [betrokkene 1] is gebleken (rov. 5). Het Hof heeft voorts als vaststaand aangenomen dat [verweerster] in de jaren 1992/1993 voor een bedrag van Afl. 14.700,-- aan de woning heeft verbouwd en dat zij deze investering die zij kwijt is, als schade, voortvloeiende uit het niet kunnen voldoen aan de overeenkomst door [betrokkene 1], kan vorderen (rov. 6).

3.2 Onderdeel 1 klaagt terecht dat het oordeel van het Hof dat uit de stukken blijkt van een aanbod door [betrokkene 1] gevolgd door aanvaarding daarvan door [verweerster], onbegrijpelijk is, omdat dit in de processtukken niet valt te lezen. De door [verweerster] overgelegde verklaring van [betrokkene 1] waarvan de inhoud door [betrokkene 1] gemotiveerd is betwist, geeft voor dit oordeel onvoldoende grondslag, terwijl het Hof geen andere feiten en omstandigheden heeft vastgesteld waarop dit oordeel is gebaseerd.

3.3 Onderdeel II bestrijdt de verwerping door het Hof van het beroep dat [betrokkene 1] heeft gedaan op schuldvergelijking. Het onderdeel faalt. Het Hof heeft, gelet op de in dit verband over en weer aangevoerde en betwiste stellingen van partijen, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de door [betrokkene 1] gestelde tegenvordering die onder meer betrekking had op nog verschuldigde huurbetalingen, in dit geding onvoldoende aannemelijk is geworden en alleen door nadere, niet-eenvoudige bewijsvoering zou kunnen komen vast te staan.

3.4 Onderdeel III.a klaagt dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de vordering van [verweerster] tot betaling van de verbouwingskosten toe te wijzen als vergoeding van schade, voortvloeiende uit de wanprestatie van [betrokkene 1]. Deze klacht is gegrond.

De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat [verweerster] aan deze vordering uitsluitend ongerechtvaardigde verrijking ten grondslag heeft willen leggen en dat zij te dezer zake geen verband heeft gelegd tussen die verbouwingskosten en de door haar gestelde tekortkoming van [betrokkene 1] met betrekking tot de gestelde koopovereenkomst.

3.5 Het slagen van onderdeel III.a heeft tot gevolg dat de onderdelen III.b en c geen bespreking behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 16 oktober 2001;

verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [betrokkene 1] in totaal begroot op € 1.966,07, waarvan € 1.889,07 op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de griffier en € 77,-- aan [betrokkene 1].

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 juli 2003.