Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7423

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
11-07-2003
Zaaknummer
C01/280HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

11 juli 2003 Eerste Kamer Nr. C01/280HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink, t e g e n LONDON VERZEKERINGEN N.V., rechtsopvolgster onder algemene titel van ELVIA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 383
NJ 2005, 50
RvdW 2003, 125
VR 2003, 181
AV&S 2003, p. 218
JWB 2003/291

Uitspraak

11 juli 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/280HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

LONDON VERZEKERINGEN N.V., rechtsopvolgster onder algemene titel van ELVIA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 22 januari 1999 Elvia Schade-verzekeringen N.V., gevestigd te Amsterdam, hierna: Elvia, gedagvaard voor de Kantonrechter te Brielle en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Elvia te veroordelen om aan [eiser] te betalen ter zake van buitengerechtelijke kosten een bedrag van ƒ 8.953,50, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 november 1998, althans vanaf de dag der dagvaarding.

Elvia heeft een conclusie, houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen en gevorderd dat de Kantonrechter zich bij incidenteel vonnis onbevoegd zal verklaren, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding.

[Eiser] heeft de incidentele vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft zich bij incidenteel vonnis van 22 juni 1999 onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen.

Tegen dit incidenteel vonnis heeft [eiser] bij exploit van 17 september 1999 hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 9 maart 2000 het incidenteel vonnis van de Kantonrechter van 22 juni 1999 vernietigd en de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, naar de Kantonrechter te Brielle verwezen.

Vervolgens heeft Elvia in de hoofdzaak de vordering van [eiser] bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 7 november 2000 een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis van 7 november 2000 heeft thans verweerster in cassatie - verder te noemen: London - als rechtsopvolgster van Elvia Schade-verzekeringen N.V., hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Rotterdam.

Bij vonnis van 31 mei 2001 heeft de Rechtbank het tussenvonnis van de Kantonrechter van 7 november 2000 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank van 31 mei 2001 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

London heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 april 2003 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is als bestuurder van een personenauto op 4 januari 1989 in de gemeente Bernisse betrokken geraakt bij een aanrijding, waarvoor de bestuurster van een andere auto aansprakelijk was. Haar auto was tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Elvia Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Elvia), een rechtsvoorgangster van London.

(ii) De schade aan de auto van [eiser] is door Elvia vergoed op grond van haar verplichtingen uit hoofde van de WAM.

(iii) [Eiser] stelt dat hij behalve materiële schade aan de auto ook letselschade heeft opgelopen die zich eerst later heeft geopenbaard. Met het oog op het vaststellen van de omvang van zijn schade heeft [eiser] advocaatkosten en onderzoekskosten (medisch adviseur/[betrokkene 1]) gemaakt, van welke kosten hij in dit geding vergoeding verlangt. De omvang van de schade is nog niet vastgesteld.

(iv) Bij de Rechtbank te Rotterdam is onder rolnummer HA ZA 00-1141 een bodemprocedure aanhangig met betrekking tot de door [eiser] gestelde letselschade.

3.2 De Kantonrechter heeft geoordeeld dat [eiser] in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van de redelijkerwijs door hem gemaakte kosten, ook al wordt achteraf vastgesteld dat niet aangetoond is dat hij door de aanrijding in 1989 letsel heeft bekomen. Ter beoordeling van de hoogte van het gevorderde bedrag heeft de Kantonrechter een comparitie van partijen gelast. In het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft de Rechtbank de vordering echter afgewezen. De Rechtbank overwoog daartoe in rov. 5.5 als volgt:

"Bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten als de onderhavige moet worden vooropgesteld dat een dergelijke vordering blijkens artikel 6:96 BW een vordering tot vergoeding van schade is, zodat, wil deze vordering toewijsbaar zijn, een grondslag voor een vordering tot schadevergoeding moet bestaan.

Deze grondslag kan zijn dat London onrechtmatig jegens [eiser] handelt of heeft gehandeld en dat [eiser] daardoor schade lijdt of heeft geleden. Nu thans niet vaststaat dat [eiser] ten gevolge van het ongeval in 1989 letsel heeft opgelopen waardoor hij (door London te vergoeden) letselschade lijdt of heeft geleden - deze vraag zal in de onder rolnummer HA ZA 00-1141 bij de rechtbank aanhangige zaak aan de orde komen - kan op dit moment niet worden vastgesteld dat een grondslag bestaat voor een vordering tot vergoeding van schade. Daarom is een vordering tot vergoeding van kosten ter vaststelling van dergelijke schade en aansprakelijkheid daarvoor thans niet toewijsbaar."

3.3 Onderdeel 1, dat klaagt dat niet London maar de verzekerde van (de rechtsvoorgangster van) London door de aanrijding jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu de Rechtbank daarvan klaarblijkelijk ook is uitgegaan.

3.4 Ook onderdeel 2 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De Rechtbank heeft niet miskend dat London (heeft erkend dat zij) aansprakelijk is voor de gevolgen van de aanrijding, maar kennelijk slechts geoordeeld dat thans nog niet vaststaat dat [eiser] letselschade heeft geleden en dat die het gevolg van het onrechtmatig handelen van de verzekerde van (de rechtsvoorgangster van) London was.

3.5.1 Onderdeel 3 stelt de vraag aan de orde of kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder b, BW kunnen worden toegewezen in een geval waarin niet of nog niet in rechte is komen vast te staan dat schade is geleden en de kosten juist worden gemaakt om vast te stellen of schade is geleden.

3.5.2 Bij de beantwoording van deze vraag wordt vooropgesteld dat art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW zelf geen grondslag biedt voor een verplichting tot vergoeding van kosten die worden gemaakt om vast te stellen of als gevolg van een gebeurtenis schade is geleden en, zo ja, of daarvoor iemand aansprakelijk kan worden gehouden. De bepaling veronderstelt, integendeel, juist dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, in welk geval de bedoelde kosten mede, dat wil zeggen naast andere als gevolg van de gebeurtenis geleden schade, voor vergoeding in aanmerking komen.

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt de onderhavige bepaling echter ertoe buiten twijfel te stellen dat de daarin genoemde schadeposten toewijsbaar kunnen zijn indien een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat. Noch de bewoordingen van deze bepaling, noch de strekking daarvan brengen mee dat een zodanige aansprakelijkheid slechts kan ontstaan binnen de grenzen die dit artikel naar de letter ervan stelt.

3.5.3 Omdat degene die aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van een door hem veroorzaakte aan- rijding - zoals in het onderhavige geval, naar niet omstreden is, de verzekerde van Elvia - in beginsel binnen de grenzen van art. 6:98 BW aansprakelijk is voor alle schade die de benadeelde als gevolg van die gebeurtenis heeft geleden, kunnen de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. Wel moeten die kosten als gevolg van de aanrijding zijn gemaakt (sine-qua-non-verband) en dienen zij tevens in een zodanig verband met de aanrijding te staan dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend.

3.5.4 Bij het voorgaande verdient aantekening dat, naarmate de tijd verstrijkt, de vraag meer kan gaan klemmen of tussen de aanrijding en de gevorderde kosten nog wel causaal verband (in de zin van sine-qua-non-verband) bestaat. In beginsel ligt het op de weg van de benadeelde die vergoeding van kosten als de onderhavige vordert, om dit verband bij voldoende gemotiveerde betwisting daarvan te bewijzen. De rechter kan echter in de omstandigheden van het geval aanleiding zien dit bewijs voorshands geleverd te achten. Daarbij zullen met name de aard en de ernst van de nader te onderzoeken aanwijzingen voor het bestaan van letsel en de mate van waarschijnlijkheid dat

dit letsel in verband staat met het ongeval van belang zijn.

Voor de vraag of kosten van deskundige bijstand als een gevolg van de aanrijding voor vergoeding in aanmerking komen, geldt het vorenoverwogene eveneens, met dien verstande dat wat betreft de vraag of deze schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, dat deze aan de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden toegerekend, dient te worden beoordeeld of het redelijk was in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de aanrijding deskundige bijstand in te roepen en of de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

3.5.5 In dit geding vordert [eiser], zoals de Rechtbank bij vonnis van 9 maart 2000 heeft overwogen, de kosten van de door hem ingeroepen bijstand van deskundigen als door de aanrijding veroorzaakte schade, ongeacht of uiteindelijk komt vast te staan dat de verzekerde van Elvia aansprakelijk kan worden gehouden voor letselschade. Ook indien dat laatste uiteindelijk niet komt vast te staan, sluit zulks, gelet op het hiervóór overwogene, niet uit dat de kosten van deskundige bijstand in het kader van de beantwoording van de vraag of [eiser] letsel heeft opgelopen door de onderhavige aanrijding voor vergoeding in aanmerking komen.

3.5.6 Voorzover onderdeel 3 berust op de opvatting dat art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW de strekking heeft een los van enige wettelijke verplichting tot schadevergoeding staande, zelfstandige grondslag te bieden voor een verplichting tot vergoeding van kosten die worden gemaakt om vast te stellen of als gevolg van een gebeurtenis schade is geleden en, zo ja, of daarvoor iemand aansprakelijk kan worden gehouden, faalt het, omdat die opvatting blijkens het hiervóór in 3.5.2 overwogene niet als juist kan worden aanvaard. Het onderdeel slaagt echter voorzover daarin de klacht ligt besloten dat de Rechtbank door de gevorderde kosten af te wijzen op de enkele grond dat nog niet vaststaat dat [eiser] ten gevolge van het ongeval in 1989 letselschade lijdt of heeft geleden, hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Indien de Rechtbank van oordeel was dat de gevorderde kosten wegens het ontbreken van een rechtsgrond daarvoor nimmer voor vergoeding in aanmerking komen, getuigt dat oordeel blijkens het hiervóór in 3.5.3 overwogene van een onjuiste rechtsopvatting. Indien de Rechtbank van oordeel was dat de omstandigheden van het geval de conclusie rechtvaardigen dat het sine-qua-non-verband tussen de aanrijding en de gevorderde kosten ontbreekt of dat de gevorderde kosten niet als een gevolg van de aanrijding aan de verzekerde van Elvia kunnen worden toegerekend, behoefde dat oordeel nadere motivering, die evenwel ontbreekt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 31 mei 2001;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt London in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.949,50 in totaal, waarvan € 1.841,73 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 107,77 aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 juli 2003.