Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7094

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
37605
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 3:42
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21604 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
BNB 2003/204 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2003/234
FED 2004/136
Belastingadvies 2003/8.2
WFR 2003/684
V-N 2003/20.5 met annotatie van Redactie
JB 2003/163 met annotatie van RMPGN-C
NTFR 2003/668 met annotatie van Hassel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.605

11 april 2003

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 augustus 2001, nr. 00/01179, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 1996 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Bezwaar en geding voor het Hof

De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Bij brief van 2 februari 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld voornemens te zijn van de door belanghebbende ingediende aangifte af te wijken, en hem in de gelegenheid gesteld te reageren. In brieven van 11 februari en van 14 april 1999 aan de Inspecteur heeft belanghebbendes gemachtigde een reactie gegeven. In zijn brief van 20 mei 1999 heeft de gemachtigde de Inspecteur verzocht nader te mogen vernemen. Hierop heeft de Inspecteur de gemachtigde op 22 juli 1999 een brief gezonden waarin hij nogmaals zijn standpunten heeft uiteengezet en hem heeft laten weten dat deze (wederom) kon reageren. Deze reactie heeft de gemachtigde op 30 juli 1999 naar de Inspecteur gestuurd. Op 18 oktober 1999 heeft de gemachtigde de Inspecteur een brief gestuurd waarin hij hem vraagt op een en ander te reageren. De Inspecteur heeft vervolgens een aanslag met dagtekening 19 november 1999 aan belanghebbende opgelegd. Het aanslagbiljet is toegezonden aan belanghebbende. Op 18 februari 2000 heeft de gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de brief van 18 oktober 1999 niet kan worden aangemerkt als een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift, ten aanzien waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege had moeten blijven op grond van het bepaalde in artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat de aanslag ten tijde van de indiening van die brief nog niet tot stand was gekomen en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Deze oordelen kunnen als van feitelijke aard in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De daartegen gerichte primaire klacht van belanghebbende faalt derhalve.

3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat geen wettelijke bepaling de Inspecteur verplichtte het aanslagbiljet uit te reiken of toe te zenden aan de gemachtigde van belanghebbende, dan wel aan deze een afschrift toe te zenden. Voorzover de subsidiaire klacht van belanghebbende dit oordeel bestrijdt, faalt zij, omdat dat oordeel juist is. Daarbij verdient opmerking dat uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat door of namens belanghebbende is verzocht om het aanslagbiljet zelf of een kopie daarvan aan de gemachtigde te verzenden (vgl. HR 24 juli 2001, nr. 35984, BNB 2001/336). Het Hof is bij zijn oordeel dat de termijn voor het instellen van bezwaar is overschreden dan ook terecht ervan uitgegaan dat die termijn is aangevangen - nu zich kennelijk niet het geval voordoet dat de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking - met ingang van de dag na die van de dagtekening van het (aan belanghebbende verzonden) aanslagbiljet.

3.4. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat overigens geen omstandigheden zijn gebleken waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel zich te dezen niet een geval voordoet als bedoeld in dat artikel. Het Hof heeft daaraan nog toegevoegd dat de Inspecteur door het opleggen van de aanslag na de brief van belanghebbende van 18 oktober 1999 niet zodanig in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld dat de termijnoverschrijding door belanghebbende verschoonbaar moet worden geacht.

De tegen dit oordeel gerichte motiveringsklacht slaagt. Zonder nadere motivering, welke echter ontbreekt, is niet duidelijk waarom de Inspecteur in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder na de brief van de gemachtigde van 18 oktober 1999, niet gehouden was de gemachtigde op enigerlei wijze in kennis te stellen van het feit dat hij de aanslag had opgelegd. Hierbij wordt het volgende opgemerkt. Artikel 2:1 van de Awb bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen kan laten bijstaan of door een gemachtigde kan laten vertegenwoordigen. In de Memorie van toelichting bij het voorstel van wet houdende algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht), welk voorstel heeft geleid tot de Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, is ter toelichting van artikel 2:1 van de Awb vermeld:

Een bestuursorgaan dat, wetend dat een gemachtigde is aangesteld, bepaalde stukken niet (tevens) aan deze gemachtigde doet toekomen, kan daarom in strijd met het beginsel van een zorgvuldige voorbereiding handelen (...). Niet altijd impliceert echter het optreden van een gemachtigde, dat ieder contact tussen het bestuursorgaan en belanghebbende uitsluitend via de gemachtigde moet lopen. Veel zal van de omstandigheden afhangen. Zowel de aard van de contacten als de bedoeling van de belanghebbende zijn factoren die hierbij een rol kunnen spelen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 49).

Indien de Inspecteur in vorenbedoeld opzicht niet behoorlijk heeft gehandeld en tevens ervan mag worden uitgegaan dat bij wél behoorlijk handelen door de Inspecteur wél tijdig bezwaar zou zijn gemaakt, zou zulks kunnen gelden als een omstandigheid op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege dient te blijven.

's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, J.W. van den Berge, J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003.