Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7093

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
37006
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/224 met annotatie van G.Th.K. Meussen
FED 2003/231
WFR 2003/682
V-N 2003/24.23 met annotatie van Redactie
NTFR 2003/669 met annotatie van Schellekens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.006

11 april 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 februari 2001, nr. BK-00/02341, betreffende het bedrag dat namens haar als belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte is voldaan over het tijdvak oktober 1996.

1. Aangifte en bezwaar

Namens belanghebbende is op de voet van het bepaalde in artikel 7 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van f 8.191.964 aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en verzocht om teruggaaf van voormeld bedrag, in welk bezwaar de Inspecteur bij uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Loop van het geding tot dusverre

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De uitspraak van dit hof van 14 juli 1999 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 29 augustus 2000, nr. 35501, BNB 2000/357, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, belanghebbende ontvankelijk verklaard in het bezwaar en het verzoek om teruggaaf afgewezen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.

4. Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende is een leasemaatschappij. Jaarlijks worden door haar duizenden nieuwe personenauto's aangeschaft en in lease gegeven. Deze auto's worden op haar naam geregistreerd in het kentekenregister. Ter zake van die registratie is zij op grond van de Wet BPM verschuldigd. Over het tijdvak oktober 1996 is namens haar te dier zake door derden op de voet van artikel 7 van de Wet een bedrag van f 8.191.964 op aangifte voldaan.

5. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Nu het incidentele middel de ontvankelijkheid van het bezwaar aan de orde stelt, zal de Hoge Raad eerst dit middel behandelen.

De in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gegeven regels met betrekking tot bezwaar tegen een besluit van een bestuursorgaan dienen bij bezwaar tegen een op aangifte voldaan of afgedragen bedrag voorzover mogelijk op overeenkomstige wijze te worden toegepast. Dit brengt mee dat indien de indiener van het bezwaarschrift niet de gegevens vermeldt die de inspecteur nodig heeft om te kunnen vaststellen waartegen het bezwaar is gericht of wat de grond van het bezwaar is, gezien het bepaalde in artikel 6:6 Awb een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op die grond niet behoort te geschieden dan nadat de indiener de gelegenheid heeft gehad het ontbrekende aan te vullen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur belanghebbende die gelegenheid heeft geboden of heeft gesteld zulks te hebben gedaan. Derhalve kon het bezwaar niet wegens niet voldoen aan de eisen van artikel 6:5 Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. Voorts heeft het Hof kennelijk, en gelet op de gedingstukken niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat het bezwaar tijdig was ingediend. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

6. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

In het eerste middel wordt aan het Hof verweten dat het de stelling van belanghebbende dat de heffing van BPM in strijd is met het in artikel 5 van het EG-Verdrag (thans, na wijziging, art. 10 EG) neergelegde beginsel van gemeenschapstrouw ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, heeft verworpen, aangezien het Hof onbesproken heeft gelaten de klacht dat door de heffing van BPM de werking van artikel 11, A, van de Zesde richtlijn met betrekking tot de levering van gebruikte personenauto's wordt gefrustreerd.

Het tweede middel strekt ten betoge dat de BPM in strijd is met artikel 95 van het EG-Verdrag (thans na wijziging, artikel 90 EG) omdat door de forfaitaire afschrijving op gebruikte personenauto's bij invoer/intracommunautaire verwervingen meer BPM kan worden geheven dan op reeds in Nederland aanwezige personenauto's rust.

De middelen falen bij gebrek aan belang, aangezien, wat er ook zij van de daarin aan de orde gestelde strijdigheid, het bedrag dat namens belanghebbende op aangifte is voldaan geen betrekking had op gebruikte auto's, en niet valt in te zien dat een eventueel gebrek in de wettelijke regeling voor de heffing bij invoer/intracommunautaire verwerving van gebruikte auto's zou moeten leiden tot een buiten toepassing laten van de BPM voor nieuwe auto's.

7. Proceskosten

Wat betreft het principale beroep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Wat betreft het incidentele beroep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart zowel het principale beroep als het incidentele beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003.