Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7070

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
C01/243HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 217
NJ 2004, 568 met annotatie van M.M. Mendel
RvdW 2003, 77
VR 2004, 38
JWB 2003/177
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 april 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/243HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ZWOLSCHE ALGEMEENE SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Nieuwegein,

EISERES tot cassatie,

advocaat: eerst mr. M.E.M.G. Peletier,

thans mr. D. Stoutjesdijk,

t e g e n

[verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 23 oktober 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Zwolsche Algemeene - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijke toegelaten, Zwolsche Algemeene te veroordelen aan [verweerster] te voldoen:

1. de hoofdsom van ƒ 36.991,-- dan wel enig ander bedrag dat de Rechtbank in goede justitie zal bepalen;

2. te vermeerderen met primair de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het ontstaan van de schade, subsidiair de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de onderhavige dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, en

3. vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten berekend op basis van het door de Nederlandse Orde van Advocaten gehanteerde tarief, in casu ƒ 3.410,--, subsidiair enig ander bedrag dat de Rechtbank in goede justitie zal bepalen.

Zwolsche Algemeene heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 26 mei 1999 [verweerster] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren en bij eindvonnis van 15 december 1999 de vordering afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie heeft zij drie grieven opgeworpen die tegen beide voormelde vonnissen zijn gericht.

Bij arrest van 10 mei 2001 heeft het Hof de vonnissen waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van [verweerster] in hoofdsom toegewezen en de vordering omtrent de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Zwolsche Algemeene beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

Zwolsche Algemeene heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] heeft met ingang van 19 mei 1995 haar Opel Astra verzekerd bij Zwolsche Algemeene. Op deze motorrijtuigverzekering zijn de voorwaarden PP9205 van toepassing.

(ii) Op 19 januari 1996 te omstreeks 23.45 uur heeft de politie te Vlijmen van een onbekend gebleven persoon de melding ontvangen dat nabij de Nieuwkuykseweg te Vlijmen een auto in brand stond. De politie heeft vastgesteld dat het uitgebrande voertuig de Opel Astra van [verweerster] was, waarna zij [verweerster] van het voorval op de hoogte heeft gesteld.

(iii) [Verweerster] heeft Zwolsche Algemeene verzocht tot uitkering over te gaan van de door haar op in totaal ƒ 36.991,-- begrote schade.

3.2 Aan de hiervóór onder 1 vermelde vordering heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat de auto op 19 januari 1996 vanaf omstreeks 17.45 uur geparkeerd stond op een parkeerplaats die zich bevindt aan de achterzijde van de woning van haar broer, [betrokkene 1], aan wie de auto zo nu en dan werd uitgeleend. De auto werd volgens [verweerster] vanaf die parkeerplaats gestolen in de nacht van vrijdag 19 op zaterdag 20 januari 1996. [Betrokkene 1] is om ongeveer 19.45 uur van huis te voet vertrokken om te gaan zaalvoetballen en om ongeveer 01.30 uur thuisgekomen. 's Ochtends belde [verweerster] hem met de vraag of de auto nog op de parkeerplaats stond, aangezien de politie haar had medegedeeld dat de auto zou zijn gestolen. Nadat [betrokkene 1] had geconstateerd dat de auto niet meer op de parkeerplaats stond, zijn [verweerster], haar echtgenoot en [betrokkene 1] naar het politiebureau gegaan om aangifte te doen, aldus nog steeds [verweerster].

3.3 Zwolsche Algemeene heeft, voorzover in cassatie van belang, betwist dat de auto is gestolen en ter motivering van die betwisting samengevat aangevoerd dat

a) [betrokkene 1] de auto, toen hij deze op 19 januari 1996 te omstreeks 17.45 uur parkeerde, had afgesloten en de alarminstallatie had ingeschakeld,

b) auto's die, zoals de Opel Astra van [verweerster], zijn voorzien van een alarminstallatie met startonderbreker, niet vaak worden gestolen,

c) een Opel van het type Astra in het algemeen reeds zelden wordt gestolen,

d) het onaannemelijk is dat een dief zich de moeite getroost om een alarm en een startonderbreker onklaar te maken, met alle risico's van dien, met het enkele doel om die auto enkele kilometers verderop in brand te steken,

e) [betrokkene 1], die de auto had geleend, een aanzienlijk strafblad heeft, en

f) de door Zwolsche Algemeene ingeschakelde expert melding maakt van de ervaring dat gestolen voertuigen die later uitgebrand worden teruggevonden, meestal zijn gestript van alle waardevolle elementen, hetgeen zich in dit geval niet voordeed.

3.4 De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 26 mei 1999 [verweerster] in de gelegenheid gesteld het bewijs van de gestelde diefstal te leveren, omdat naar haar oordeel, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van Zwolsche Algemeene, het enkele feit dat [verweerster] direct na het voorval aangifte bij de politie heeft gedaan daartoe onvoldoende is. Nadat [verweerster], stellende dat reeds in voldoende mate feiten en omstandigheden waren gesteld die de diefstal voldoende aannemelijk maken, had medegedeeld dat zij van de gelegenheid tot bewijslevering geen gebruik wenste te maken, heeft de Rechtbank bij vonnis van 15 december 1999 de vordering afgewezen.

3.5 Het Hof heeft bij arrest van 10 mei 2001 de vonnissen vernietigd en de vordering van [verweerster] toegewezen. Het Hof stelde voorop dat [verweerster] als verzekerde dient te stellen en in geval van betwisting dient te bewijzen, dat zich een feit heeft voorgedaan ter zake waarvan Zwolsche Algemeene als verzekeraar tot schadevergoeding is gehouden, maar dat aan deze op [verweerster] rustende bewijslast niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. Vervolgens overwoog het Hof in rov. 4.4 en 4.5 als volgt:

"Aan deze eisen is in dit geval voldaan, gehoord de getuige [betrokkene 1]. Deze getuige heeft ten overstaan van de politie verklaard de auto op vrijdag 19 januari 1996 om circa 17.45 uur in de nabijheid van zijn woning op een parkeerplaats nabij de Pieter Breughelstraat te 's-Hertogenbosch geparkeerd te hebben. Hij is twee uur later naar de sporthal de Vinkenkamp te 's-Hertogenbosch gegaan teneinde aldaar met teamgenoten te gaan voetballen. Dit relaas is door de Zwolsche Algemeene niet bestreden, terwijl voorts vaststaat dat de auto tegen middernacht enkele kilometers verderop brandend is aangetroffen.

Tegenover deze bewijzen heeft de Zwolsche Algemeene onvoldoende concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht. De enkele bewering dat [verweerster] en/of [betrokkene 1] zelf in de verdwijning van de auto de hand zou(den) kunnen hebben gehad is daartoe ontoereikend, ook indien het strafrechtelijk verleden van [betrokkene 1] in ogenschouw wordt genomen."

Bij dit citaat verdient opmerking dat het Hof [betrokkene 1] niet als getuige heeft gehoord, alsmede dat de door het Hof bedoelde verklaring van deze "getuige" kennelijk niet slechts is ontleend aan diens verklaring ten overstaan van de politie maar ook aan de verklaring die [betrokkene 1] ten overstaan van de door Zwolsche Algemeene ingeschakelde expert heeft afgelegd.

3.6.1 Bij de beoordeling van de in onderdeel 1 aangevoerde rechtsklacht wordt vooropgesteld dat deze zich - terecht - niet richt tegen de door het Hof gehanteerde maatstaf, die erop neerkomt dat de verzekerde dient te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar ook dient te bewijzen dat de verzekerde auto is gestolen, maar dat aan het bewijs van de gestelde diefstal in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om diefstal van een geparkeerde auto, geen al te zware eisen mogen worden gesteld. In een dergelijk geval zal de verzekerde kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden (HR 28 oktober 1994, nr. 15478, NJ 1995, 141). Daarbij kan, afhankelijk van hetgeen door de verzekerde aangaande de toedracht van de diefstal is gesteld en van hetgeen de verzekeraar ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, onder omstandigheden de enkele aangifte van diefstal in een door de politie opgemaakt proces-verbaal als voldoende bewijs worden aanvaard. Voorzover het onderdeel betoogt dat dit laatste anders is, faalt het omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat degene die de auto ten tijde van de gestelde diefstal onder zich had een substan-tieel en relevant strafrechtelijk verleden heeft, maakt het voorgaande op zichzelf niet anders, zij het dat in een dergelijk geval gerede aanleiding zal kunnen bestaan het bewijs van de diefstal niet geleverd te achten zonder de betrokkene als getuige te horen.

3.6.2 Het onderdeel faalt ook voorzover het klaagt dat uit 's Hofs oordeel niet kan worden opgemaakt of het Hof van oordeel is dat de omstandigheid dat aan de bewijslast van [verweerster] geen al te zware eisen mogen worden gesteld, meebrengt dat [verweerster] door het bewijs te leveren van feiten of omstandigheden de door haar gestelde diefstal voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft immers kennelijk geoordeeld dat het door [verweerster] geleverde bewijs voldoet aan de daaraan te stellen - niet te zware - eisen.

3.7 Het onderdeel slaagt evenwel voorzover het, mede in samenhang met de in de onderdelen 3, 4 en 5 vervatte motiveringsklachten, klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het Hof in rov. 4.4 en 4.5 dat hierop neerkomt dat het door Zwolsche Algemeene niet bestreden relaas van [betrokkene 1] in samenhang met de omstandigheid dat de auto brandend is aangetroffen, voldoende is voor het bewijs van de gestelde diefstal, en dat Zwolsche Algemeene daartegenover onvoldoende concrete feiten en omstandig-heden naar voren heeft gebracht.

3.7.1 De onderdelen 3 en 4 klagen terecht dat niet begrijpelijk is dat Zwolsche Algemeene het relaas van [betrokkene 1] niet zou hebben bestreden, bij welk relaas het Hof, zoals hiervóór in 3.5 overwogen, het oog heeft gehad op de verklaring van [betrokkene 1] ten overstaan van de politie en van de expert. Immers, niet alleen strekken de hiervóór in 3.3 onder a) tot en met f) vermelde stellingen ertoe de door [verweerster] aan de hand van de verklaringen van [betrokkene 1] gestelde toedracht te bestrijden, ook heeft Zwolsche Algemeene bij conclusie van dupliek betwist dat [betrokkene 1] de avond en nacht van 19 op 20 januari 1996 heeft doorgebracht zoals door [verweerster] gesteld, met name dat [betrokkene 1] zich slechts te voet en per taxi zou hebben verplaatst.

3.7.2 In onderdeel 5 wordt 's Hofs oordeel in rov. 4.5 dat Zwolsche Algemeene tegenover de in rov. 4.4 vermelde bewijzen onvoldoende concrete feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht, terecht als ontoereikend gemotiveerd bestreden. Het Hof heeft in feite aan het enkele relaas van [betrokkene 1] het bewijs van de gestelde diefstal ontleend, nu, naar onderdeel 2 terecht aanvoert, de omstandigheid dat de auto brandend is aangetroffen op zichzelf niet redengevend is voor het oordeel dat de auto voordat hij in brand werd gestoken ook gestolen was. Hoewel het Hof, zoals volgt uit hetgeen hiervóór in 3.6.1 is over-wogen, daarmee geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, mocht het Hof niet zonder motivering voorbij gaan aan hetgeen Zwolsche Algemeene, noodzakelijkerwijs weinig concreet, met de hiervóór in 3.3 onder a) tot en met f) vermelde stellingen, tegen dat relaas heeft ingebracht.

3.8 Na het voorgaande behoeven de overige klachten geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 mei 2001;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Zwolsche Algemeene begroot op € 580,58 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 april 2003.