Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7006

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
R02/098HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7006
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

[Verzoekster] heeft op 9 augustus 2002 een (op 31 juli 2002 gedateerd) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank Breda ingediend. Zij heeft zich, voor zover in cassatie van belang, in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet alle omstandigheden van het geval in haar oordeel heeft betrokken.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288, geldigheid: 2003-06-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 322
NJ 2003, 520
RvdW 2003, 107
JWB 2003/245

Uitspraak

13 juni 2003

Eerste Kamer

Rek.nr. R02/098HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 9 augustus 2002 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: verzoekster - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht ten aanzien van haar toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2002 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft verzoekster hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Na mondelinge behandeling op 25 november 2002 heeft het Hof bij beschikking van 3 december 2002 het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van het middel

3.1 De Rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op de grond dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het laten ontstaan van een voorlopig op € 9.117,02 begrote schuld aan de gemeente Halderberge. Het Hof heeft dit vonnis bekrachtigd.

3.2 Middel 2a verwijt het Hof uitgegaan te zijn van een onjuiste rechtsopvatting omdat, gelet op art. 288 lid 2, onder b, F. waar van "schulden" wordt gesproken, het niet te goeder trouw laten ontstaan van slechts één enkele schuld niet voldoende is voor de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Het middel faalt omdat het begrip "schulden" in genoemde bepaling moet worden verstaan als "één of meer schulden".

3.3 Middel 3a klaagt dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 288 F. tot uiting gebrachte ratio van de Wet Schuldsanering natuurlijke personen heeft blijk gegeven; deze ratio is dat schuldenaren met overlevingsschulden, compensatieschulden, aanpassingsschulden en/of overkrediteringsschulden, waarvan de gevolgen hun draagkracht te boven

gaan, na een periode van leven op een bestaansminimum van die gevolgen bevrijd worden.

Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, kent de wet niet bepaalde schulden bij het ontstaan of onbetaald laten waarvan de schuldenaar steeds geacht moet worden te goeder trouw te zijn geweest of die, alhoewel de schuldenaar niet te goeder trouw heeft gehandeld, principieel buiten het bereik van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2, onder b, F. vallen. De ratio van de wettelijke regeling dwingt er evenmin toe zulke, aan de werking van art. 288 lid 2, onder b, F. onttrokken, schulden te aanvaarden. Het middel faalt.

3.4 De overige in de middelen aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 13 juni 2003.