Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7005

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
R01/129HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7005
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

27 juni 2003 Eerste Kamer Rek.nr. R01/129HR MD Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [de vrouw], wonende in de Verenigde Staten van Amerika, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [de man], wonende op Aruba, VERWEERDER in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. B.J.M. van Zeeland, thans mr. M. Verwijs. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed, 's-Gravenhage, 01-06-1970
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 348
NJ 2004, 615 met annotatie van Th.M. de Boer
RvdW 2003, 117
JWB 2003/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 juni 2003

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/129HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw], wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[de man], wonende op Aruba,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. B.J.M. van Zeeland, thans mr. M. Verwijs.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 9 augustus 1999 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, hierna: het Gerecht, ingediend verzoekschrift, ingeschreven onder rekestnummer 369/1999, heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot dat Gerecht en - na wijziging en vermeerdering van eis - verzocht de drie na te melden vonnissen van het "Circuit Court of the 11th Judicial Circuit in and for Miami-Dade County, Florida", hierna: het Circuit Court, te erkennen en de vrouw verlof te geven tot tenuitvoerlegging in Aruba van die vonnissen. Het betreft in casu het vonnis van 16 juni 1999 waarbij verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - werd veroordeeld tot betaling van voorlopige alimentatie aan de vrouw, het vonnis van 5 augustus 1999, waarbij de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, en het vonnis van 5 oktober 1999, waarbij het Circuit Court een beslissing heeft genomen over onder meer de scheiding en deling van de huwelijksgoederen, het gezag over en het onderhoud van de kinderen van partijen jonger dan 18 jaar, de alimentatie ten behoeve van de vrouw en de proceskosten.

De man heeft het verzoek bestreden.

Het Gerecht heeft bij tussenbeschikking van 27 januari 2000 de vrouw in de gelegenheid gesteld de stukken aan te vullen en bij beschikking van 2 maart 2000 de rechtsgeldigheid in Aruba van voornoemde rechterlijke beslissingen van het Circuit Court erkend en de vrouw in de gelegenheid gesteld om de vordering ten aanzien van de verzochte tenuitvoerlegging van de vonnissen in die zin wijzigen dat de man wordt veroordeeld tot datgene waartoe hij ook reeds bij de buitenlandse vonnissen was veroordeeld.

Tegen de beschikking van 2 maart 2000 van het Gerecht heeft de man bij een op 22 maart 2000 ter griffie van het Gerecht ingediend appèlschrift hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, hierna: het Hof.

Bij beschikking van 18 september 2001 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest (R01/129HR) is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Gemeenschappelijk Hof en tot terugwijzing van de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

(i) De man en de vrouw zijn op 23 september 1976 te Aruba met elkaar gehuwd. Beiden bezitten de Nederlandse nationaliteit.

(ii) Op 9 november 1998 heeft de vrouw in de Verenigde Staten van Amerika een vordering tot echtscheiding aanhangig gemaakt bij het in het vorenstaande onder 1 genoemde Circuit Court.

(iii) De man is in die procedure verschenen en heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Bij beslissing van 1 juni 1999 heeft het Circuit Court, dat vaststelde dat zowel de vrouw (sedert ten minste vier jaar) als de man moet worden aangemerkt als "resident" van de staat Florida, de exceptie verworpen en zich bevoegd verklaard. De man heeft zich daarop uit de procedure teruggetrokken.

(iv) Bij vonnis van 16 juni 1999 heeft het Circuit Court de man veroordeeld tot betaling van voorlopige alimentatie aan de vrouw.

(v) Bij vonnis van 5 augustus 1999 heeft het Circuit Court echtscheiding tussen partijen uitgesproken op de grond dat het huwelijk van partijen "irretrievably broken" is.

(vi) Bij vonnis van 5 oktober 1999 heeft het Circuit Court bij wege van "Final Judgment" een beslissing genomen over onder meer de scheiding en deling van de huwelijksgoederen, het gezag over en het onderhoud van de kinderen jonger dan 18 jaar, de alimentatie ten behoeve van de vrouw en de proceskosten.

3.2 De vrouw heeft zich met een verzoekschrift gewend tot het Gerecht en - na wijziging en vermeerdering van eis - verzocht de in 3.1 onder (iv) tot en met (vi) genoemde vonnissen van het Circuit Court te erkennen en de vrouw verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging in Aruba van die vonnissen.

Het Gerecht heeft na een tussenbeschikking van 27 januari 2000 bij tussenbeschikking van 2 maart 2000 de rechtsgeldigheid in Aruba erkend van de drie in 3.1, onder (iv) tot en met (vi), vermelde, door het Circuit Court gewezen vonnissen en heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om ten aanzien van de verzochte tenuitvoerlegging haar vordering bij akte te wijzigen in die zin dat zij zal vorderen dat de man veroordeeld wordt tot datgene waartoe hij ook reeds bij de buitenlandse vonnissen was veroordeeld.

Het Hof heeft de beschikking van 2 maart 2000 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek afgewezen.

3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het Hof ten onrechte bij de beoordeling van de vraag of het echtscheidingsvonnis van het Circuit Court in Aruba kan worden erkend, geen aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat de vrouw ten tijde van het instellen van de echtscheidingsvordering woonplaats, althans gewone verblijfplaats had in Florida.

Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat, gelet op de woonplaats van de vrouw (en de man) ten tijde van het aanhangig maken van de procedure bij het Circuit Court, de Amerikaanse rechter rechtsmacht toekwam en dat daarom het echtscheidingsvonnis in Aruba voor erkenning in aanmerking komt, faalt het, omdat de voorwaarden die aan de erkenning van een in het buitenland tussen Nederlanders uitgesproken echtscheidingsvonnis worden gesteld, cumulatief gelden en de rechter, na te hebben geoordeeld dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, niet meer behoeft na te gaan of aan de overige voorwaarden is voldaan. Voor zover het onderdeel strekt ten betoge dat gezien de woonplaats van partijen en gezien art. 7 van de Landsverordening Algemene Bepalingen (Aruba) aan de conflictenrechtelijke toets is voldaan, mist het belang gelet op hetgeen hierna in 3.5 wordt overwogen en kan het niet tot cassatie leiden.

3.4 Onderdeel 2 klaagt dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt waarom het Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed (het Haags Echtscheidingsverdrag 1970) geen uitgangspunt zou kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of het echtscheidingsvonnis van het Circuit Court in Aruba kan worden erkend.

Dit verdrag is niet van toepassing, omdat de Verenigde Staten van Amerika daarbij geen partij zijn en het verdrag gelet op art. 1 lid 1 daarvan op wederkerigheid berust. Het Hof heeft derhalve terecht de regeling van het verdrag niet - ook niet bij wijze van analogie - van toepassing geacht. Het onderdeel faalt.

3.5 Onderdeel 3 klaagt - kort gezegd - dat het Hof ten onrechte de conflictenrechtelijke toets als voorwaarde voor erkenning van het echtscheidingsvonnis van het Circuit Court heeft aangelegd.

Bij de beoordeling van deze klacht dient te worden vooropgesteld dat naar Nederlands recht een in het buitenland tussen Nederlanders uitgesproken echtscheidingsvonnis voor erkenning in aanmerking komt indien is voldaan aan de volgende drie, cumulatief geldende, voorwaarden, te weten (1) de buitenlandse rechter was op een internationaal aanvaarde grond bevoegd om kennis te nemen van de zaak, (2) het vonnis is tot stand gekomen na een behoorlijke rechtspleging en (3) erkenning van het vonnis is niet in strijd met de openbare orde. Een nadere beperking van de erkenning van een in het buitenland tussen Nederlanders uitgesproken echtscheidingsvonnis, bestaande uit de zogeheten conflictenrechtelijke toets, inhoudende dat het echtscheidingsvonnis moet zijn gewezen in overeenstemming met het rechtsstelsel dat volgens het Nederlands conflictenrecht op de echtscheiding toepasselijk is, is sinds de inwerkingtreding van (art. 2 van) de Wet Conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan van 25 maart 1981 in het Nederlandse recht niet meer aan de orde.

Naar de huidige stand van de Arubaanse (en Nederlands-Antilliaanse) rechtsontwikkeling, zowel op het terrein van het echtscheidingsrecht als op het terrein van het internatonaal privaatrecht, is in aanmerking genomen dat

(1) art. 7 van de Landsverordening Algemene Bepalingen niet dwingt tot toepassing van de conflictenrechtelijke toets,

(2) de toepassing van de conflictenrechtelijke toets miskent dat het binnenlandse conflictenrecht zich niet tot de buitenlandse rechter richt en eveneens miskent dat de aanvaarding van de bevoegdheid van de buitenlandse rechter inhoudt dat ook moet worden aanvaard dat die rechter beslist met inachtneming van zijn eigen nationale recht, met inbegrip van het daartoe behorende conflictenrecht,

(3) de conflictenrechtelijke toets tot zogeheten hinkende huwelijken kan leiden en daarom in een aantal internationale regelingen als grond voor weigering van erkenning van een echtscheiding is verboden en

(4) sedert respectievelijk 15 januari 2001 en 1 januari 2002 het Arubaanse en het Nederlands-Antilliaanse echtscheidingsrecht als enige echtscheidingsgrond de duurzame ontwrichting van het huwelijk kennen,

evenmin nog plaats voor de conflictenrechtelijke toets bij de erkenning van buitenlandse echtscheidingsvonnissen. Deze echtscheidingsvonnissen komen voor erkenning in aanmerking indien is voldaan aan de hiervoor genoemde drie, cumulatief geldende, voorwaarden. Onderdeel 3 slaagt derhalve.

3.6 Zulks brengt mee dat eveneens doel treft onderdeel 4, dat zich keert tegen de op de voorgaande rechtsoverwegingen voortbouwende rov. 3.6-3.8.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 18 september 2001 (registratienr. H.187/00);

verwijst het geding naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 27 juni 2003.