Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7002

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
C01/312HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

24 oktober 2003 Eerste Kamer Nr. C01/312HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: STICHTING REVABO OOSTERBEEK, gevestigd te Utrecht, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. H.H. Barendrecht, t e g e n AMEV SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Utrecht, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 531
NJ 2004, 396
RvdW 2003, 163
JWB 2003/393
JAR 2003/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 oktober 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/312HR

JMH/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STICHTING REVABO OOSTERBEEK, gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. H.H. Barendrecht,

t e g e n

AMEV SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Revabo - heeft bij dagvaardingsformulier dat door de griffier is verzonden op 28 juni 2000, verweerster in cassatie - verder te noemen: Amev - gedagvaard voor de kantonrechter te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Amev te veroordelen om aan Revabo te betalen een bedrag van ƒ 2.799,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

Amev heeft de vordering bestreden.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 januari 2001 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Revabo hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Utrecht.

Bij vonnis van 18 juli 2001 heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft Revabo beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Amev heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier van 28 maart 2003 strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van Revabo.

De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier van 6 juni 2003 strekt, voor het geval de Hoge Raad van mening mocht zijn dat Revabo ontvankelijk is, tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Revabo heeft gevorderd dat Amev zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van ƒ 2.799,41. Dit bedrag was lager dan de appelgrens van ƒ 3.500,-- die ingevolge art. 38 RO, zoals dat luidde van 1 januari 1999 tot 1 januari 2002, op het moment van dagvaarding in hoger beroep gold. Tegen het door de kantonrechter gewezen vonnis stond dus geen hoger beroep open, zodat de rechtbank Revabo in het door deze ingestelde appel ambtshalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft het beroep echter behandeld en daarop beslist. In haar vonnis ligt daarom besloten dat Revabo naar het oordeel van de rechtbank ontvankelijk is in haar beroep. Nu in cassatie door Amev niet is aangevoerd dat de rechtbank Revabo in dit hoger beroep ambtshalve niet-ontvankelijk had dienen te verklaren en de Hoge Raad niet bevoegd is het door de rechtbank gewezen vonnis ambtshalve te casseren, dient de ontvankelijkheid van het hoger beroep thans mede tot uitgangspunt, zodat Revabo in haar beroep kan worden ontvangen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Een werknemer van Revabo is op 9 april 1999 een ongeval overkomen. De veroorzaker van het ongeval was verzekerd bij Amev. Revabo heeft schade geleden omdat zij het loon van deze werknemer gedurende diens ziekte heeft doorbetaald. Revabo heeft Amev daarom aangesproken met een regresvordering van ƒ 8.780,70 (het in art. 6:107a BW bedoelde civiele plafond van het door haar in totaal doorbetaalde bedrag van ƒ 10.696,41). Amev heeft een bedrag van ƒ 5.981,29 aan Revabo betaald.

4.2 In dit geding vordert Revabo het onbetaald gebleven gedeelte van haar onder 4.1 vermelde vordering; zij baseert zich daartoe op art. 6:107a lid 2 BW. Amev heeft zich tegen de vordering verweerd, stellende dat zij slechts de netto loonkosten van de betrokken werknemer aan Revabo behoeft te vergoeden en dus niet de bruto loonkosten, waarop de vordering van Revabo is gebaseerd.

4.3 De kantonrechter heeft Amev in dit standpunt gevolgd. In hoger beroep heeft de rechtbank zich daarbij aangesloten. Het tegen deze beslissing gerichte cassatiemiddel bestrijdt niet dat het door Amev betaalde bedrag gelijk is aan de netto loonkosten in het onderhavige geval. Het middel houdt in de kern in dat, zolang de grens van het in art. 6:107a BW bedoelde civiele plafond niet is bereikt, de verhaalsgerechtigde alle (bruto)kosten die hij maakt in verband met het doorbetalen van loon, mag verhalen. De werkgever heeft immers jegens de schadeveroorzaker een regresrecht terzake van de schade die hij lijdt tot het gehele door de werkgever doorbetaalde loon. Het civiele plafond beperkt slechts het totaalbedrag van deze vordering.

4.4 Art. 6:107a BW strekt ertoe de werkgever van een zieke of anderszins arbeidsongeschikte werknemer, die krachtens art. 7:629 BW onder de in die bepaling omschreven voorwaarden is gehouden het loon van de werknemer door te betalen gedurende 52 weken van diens ziekte of arbeidsongeschiktheid, wat betreft zijn regresmogelijkheden in dezelfde positie te plaatsen als waarin de desbetreffende bedrijfsvereniging verkeerde voordat art. 7:629 BW in zijn huidige vorm was ingevoerd (vgl. Kamerstukken II, 1994/95, 24 326, nr. 3, blz. 9).

Wat betreft de toepassing van de Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren heeft de Hoge Raad in het belang van de hanteerbaarheid van de wet en een zo eenvoudig mogelijke toepassing daarvan in de praktijk, beslist dat in het geval van overlijden van een verzekerde, geen verhaal kan worden gezocht voor eventuele inkomstenbelasting en premies voor de sociale verzekeringswetten (HR 13 december 1985, nr. 12.471, NJ 1986, 246). Voor letselschade heeft de Hoge Raad dezelfde regel aanvaard (HR 27 november 1987, nr. 13.037, NJ 1989, 48). Deze regel heeft te gelden ongeacht of sprake is van tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid (HR 25 februari 1994, nr. 15.265, NJ 1995, 608).

Tegen die achtergrond ligt het voor de hand art. 6:107a BW dienovereenkomstig uit te leggen en deze uitleg mede te laten gelden voor doorbetalingen van loon waardoor het in deze bepaling bedoelde civiele plafond nog niet wordt overschreden. Daardoor wordt een eenvoudige en voor de praktijk goed hanteerbare maatstaf verkregen, waardoor tevens de consistentie van het systeem van regresrechten wordt versterkt. Aangenomen moet voorts worden dat ook de wetgever deze opvatting is toegedaan, gezien de wetsgeschiedenis van art. 6:107a, zoals aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.12-4.19.

Het middel, dat op een andere rechtsopvatting is gebaseerd, faalt derhalve.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep,

veroordeelt Revabo in de kosten van het geding in cassatie, tot op heden aan de zijde van Amev begroot op € 286,89 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 24 oktober 2003.