Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF7001

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
20-06-2003
Zaaknummer
C01/220HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF7001
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

20 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C01/220HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [A] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n 1. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ, gevestigd te 's-Gravenhage,

2. INTERLLOYD SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ, gevestigd te Amstelveen, 3. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTERS in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseressen, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 333
JWB 2003/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 juni 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/220HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[A] B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

1. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. INTERLLOYD SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ,

gevestigd te Amstelveen,

3. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTERS in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseressen,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [A] - heeft bij exploit van 15 mei 1997 (rolnr. H 97.1674) verweerster in cassatie sub 3 (verder te noemen: Aegon) en bij exploiten van 15 mei 1997 resp. 13 mei 1997 (rolnrs. H 97.1672 en H 97.1673) resp. verweersters in cassatie sub 1 en 2 (verder te noemen: Nationale-Nederlanden en Interlloyd, dan wel alle verweersters gezamenlijk: de verzekeraars) gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Aegon te veroordelen om aan [A] te betalen een bedrag van ƒ 1.721.346,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- Nationale-Nederlanden te veroordelen om aan [A] te betalen een bedrag van ƒ 1.670.718,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- Interlloyd te veroordelen om aan [A] te betalen een bedrag van ƒ 1.670.718,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

De verzekeraars hebben ieder afzonderlijk een incidentele conclusie tot voeging voor alle weren genomen en bij conclusie van antwoord de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij drie vonnissen van 24 juni 1998 in het incident de gevorderde voeging toegewezen en de drie hoofdzaken naar de rol verwezen voor voort-procederen.

In de hoofdzaken heeft de Rechtbank bij vonnis van 17 maart 1999 de drie vermelde vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [A] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 26 april 2001 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [A] beroep in cassatie ingesteld. De verzekeraars hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidentele beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [A] mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai en voor de verzekeraars mede door mr. M.V. Polak, beiden advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het principale beroep.

De advocaat van [A] en mr. Tjong Tjin Tai voornoemd hebben bij brief van 4 april 2003 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep niet aan de orde.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [A] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de verzekeraars begroot op € 4.314,19 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 20 juni 2003.