Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF6590

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
02268/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF6590
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

10 juni 2003 Strafkamer nr. 02268/02 EdK/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 april 2002, nummer 22/001470-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel. 1. De bestreden uitspraak...

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns
Wet op de accijns 1
Wet op de accijns 2f
Wet op de accijns 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2003/341
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2003

Strafkamer

nr. 02268/02

EdK/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 april 2002, nummer 22/001470-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 25 juni 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 4 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. en 3. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte aan die organisatie leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd", 2. "medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd", 4. "medeplegen van het als bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven en met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld en deze nader schriftelijk toegelicht. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof het verweer dat de Nederlandse accijnswetgeving niet op de bij de verdachte en zijn mededaders voorhanden zijnde sigaretten van toepassing is ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"1. hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 april 1999 tot en met 25 september 2000 te Rotterdam en/of te Werkendam en/of te Raamsdonkveer en/of te Meerkerk en/of te Poederoijen, gemeente Zaltbommel en/of te Reeuwijk en/of te Ter Aar, in elk geval elders in Nederland als leider heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verschillende personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven;

- artikel 5 lid 1 onder b Wet op de accijns: het telkens opzettelijk voorhanden hebben van hoeveelheden accijnsgoederen, te weten sigaretten die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op deAccijns in de heffing waren betrokken (...);

2. hij,

a) op 14 juli 2000 te Raamsdonkveer (partij 2) en

c) op 25 september 2000 te Raamsdonkveer (partij 13) en

e) op 25 september 2000 te Reeuwijk (partij 6) en

f) op 25 september 2000 te Poederoyen, gemeente Zaltbommel (partij 4) en

g) op 25 september 2000 te Werkendam (partij 5) en

h) op 25 september 2000 te Ter Aar (partij 8)

tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk accijnsgoederen, te weten

a) een groot aantal sigaretten en

c) 29.850, sigaretten en

e) 1.237.600, sigaretten en

f) 6.968.000, sigaretten en

g) 5.620.000, sigaretten en

h) 936.000, sigaretten

telkens voorhanden heeft gehad, die telkens niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken."

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in de aanvulling op het verkorte arrest, voorzover thans van belang, als volgt samengevat en verworpen:

"Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat terzake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten de Nederlandse accijnsbepalingen niet zijn geschonden, nu de uitslag (invoer) van de sigaretten niet hier te lande heeft plaatsgevonden, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt het verweer. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de in de bewezenverklaring bedoelde accijnsgoederen door verdachte en anderen via Duitsland binnen de EG zijn gebracht. Wat de raadsman verder over de herkomst van die goederen heeft meegedeeld, acht het hof niet aannemelijk geworden. Ingevolge artikel 5, eerste lid en onder b, van de Wet op de Accijns is het niet toegestaan een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.

Blijkens artikel l, tweede lid, van de Wet op de Accijns wordt accijns verschuldigd terzake van de uitslag en van de invoer van tabaksprodukten. Artikel 2f van de Wet op de Accijns bepaalt dat als de uitslag mede wordt aangemerkt het in strijd met artikel 5 voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen in Nederland sigaretten voorhanden heeft gehad waarover nog geen accijns was geheven, zodat hij het in artikel 5 van de Wet op de Accijns opgenomen verbod heeft overtreden. Zulks is ook overeenkomstig de toepasselijke communautaire voorschriften en noopt het hof niet tot het stellen van prejudiciële vragen."

3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PbEG 1992 L 76 zoals nadien gewijzigd; hierna: de Richtlijn) en van de Wet op de accijns van belang:

(i) Artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn:

"1. Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende produkten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen:

(...)

- tabaksfabrikaten."

(ii) Artikel 5, eerste lid, van de Richtlijn:

"1. De in artikel 3, lid 1, genoemde produkten worden aan accijns onderworpen bij de produktie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied.

Als "invoer van een accijnsprodukt" wordt beschouwd, de binnenkomst van dat produkt in de Gemeenschap, met inbegrip van de binnenkomst uit een gebied bedoeld in de uitzonderingen van artikel 2, leden 1, 2 en 3, of uit de Kanaaleilanden.

(...)"

(iii) Artikel 6 van de Richtlijn:

"1. De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 12, lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen.

Als uitslag tot verbruik van accijnsprodukten wordt beschouwd:

(...)

c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze produkten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst.

2. De voorwaarden voor verschuldigdheid en het toe te passen accijnstarief zijn die welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de Lid-Staat waar de uitslag tot verbruik of het constateren van tekorten plaatsvindt. De accijns wordt geheven en geïnd op de door elke Lid-Staat vastgestelde wijze, waarbij de Lid-Staten dezelfde heffings- en invorderingsprocedure toepassen op nationale produkten en op produkten uit andere Lidstaten."

(iv) Artikel 1 Wet op de accijns:

"1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van:

(...)

f. tabaksproducten.

2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag en van de invoer van de in het eerste lid bedoelde goederen."

(v) Artikel 2f Wet op de accijns:

"Als uitslag wordt mede aangemerkt het in strijd met artikel 5 (...) voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken."

(vi) Artikel 5 Wet op de accijns:

"1. Het is niet toegestaan:

(...)

b. een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken.

(...)"

3.5. In zijn arrest van 5 april 2001 in zaak C-325/99, Jur EG 2001 blz. I-2729 (Van de Water), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder: Hof van Justitie) onder meer overwogen:

"34. Zoals de Nederlandse regering en de Commissie hebben opgemerkt, volgt uit de opzet van de richtlijn en uit de bepalingen daarvan betreffende de definitie en de werking van de belastingentrepots en de schorsingsregeling, (...) dat een accijnsgoed dat buiten een schorsingsregeling voorhanden wordt gehouden, noodzakelijkerwijs ooit, op welke wijze dan ook, is uitgeslagen tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1.

35. Ingevolge artikel 6, lid 1 van de richtlijn worden als uitslag tot verbruik beschouwd, niet alleen iedere fabricage en invoer van accijnsproducten buiten een schorsingsregeling, maar eveneens iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling. Door een dergelijke "onttrekking" gelijk te stellen met uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn, heeft de gemeenschapswetgever duidelijk gemaakt dat alle productie, verwerking, voorhanden hebben of verkeer buiten een schorsingsregeling, leidt tot verschuldigdheid van de accijns."

In dat arrest heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard:

"Artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele voorhanden hebben van een accijnsproduct in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn uitslag tot verbruik is, wanneer over dat product nog geen accijns is voldaan overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen en nationale wetgeving."

3.6. Blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen moet in cassatie het volgende als vaststaand worden aangenomen:

(i) door de verdachte en zijn mededaders zijn grote partijen ongebanderolleerde sigaretten betrokken vanuit Rusland en telkens per vrachtwagen, verstopt in de deklading, zonder onder een communautaire douaneregeling te zijn geplaatst via Duitsland de Europese Unie binnengevoerd;

(ii) die sigaretten zijn in Nederland aangetroffen op de plaatsen en in de hoeveelheden als onder 2 bewezenverklaard.

3.7.1. Hiervan uitgaande, alsmede gelet op vorenweergegeven bepalingen uit de Richtlijn en de Wet op de accijns, geeft het oordeel van het Hof dat de sigaretten op de voet van art. 1, tweede lid, Wet op de accijns in samenhang met de art. 2f en 5, eerste lid, van die Wet ter zake van de uitslag van die goederen aan accijns onderworpen zijn nu de verdachte de sigaretten, zonder dat zij overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing waren betrokken, in Nederland voorhanden had, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

3.7.2. Voorzover in de eerste klacht van het middel wordt uitgegaan van andere feiten dan hiervoor onder 3.6 weergegeven, kan deze niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klacht in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.8. Het middel houdt in de tweede plaats de klacht in dat de verwerping van het aanhoudingsverzoek teneinde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie ten onrechte eerst in de aanvulling op het verkorte arrest is opgenomen.

3.9.1. Het in het middel bedoelde verzoek kan, gelet op de inhoud van de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2002 gehechte pleitnotities, bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat het voorwaardelijk is gedaan, te weten voor het geval dat het Hof niet overeenkomstig het gevoerde bewijsverweer van oordeel zou zijn dat de verdachte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

3.9.2. Gelet op de hiervoor onder 3.2 weergegeven bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is de hier bedoelde voorwaarde vervuld, zodat het Hof had dienen te beslissen op het aanhoudingsverzoek voor het stellen van prejudiciële vragen. In het kennelijke oordeel van het Hof dat zonder aanhouding van de zaak meteen tot een einduitspraak kon worden gekomen, ligt besloten dat het geen grond aanwezig achtte voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In aanmerking genomen het hiervoor onder 3.5 weergegeven arrest van het Hof van Justitie, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Dit brengt tevens mee dat de verdachte geen belang heeft bij zijn klacht dat het Hof in het verkorte arrest geen beslissing heeft gegeven op het aanhoudingsverzoek.

3.10. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 10 juni 2003.