Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF6244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2003
Datum publicatie
25-07-2003
Zaaknummer
01238/02 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF6244
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

20 mei 2003 Strafkamer nr. 01238/02 E ES/DAT Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 5 november 2001, nummer 21/001734-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak ...

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten 6, geldigheid: 2003-05-20
Wet op de economische delicten 7, geldigheid: 2003-05-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 254
JM 2004/24 met annotatie van Koopmans
NBSTRAF 2003/254
NJ 2003, 510
M en R 2003, 127

Uitspraak

20 mei 2003

Strafkamer

nr. 01238/02 E

ES/DAT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 5 november 2001, nummer 21/001734-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen, Economische Kamer, van 15 mei 2001 - de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens opleverende: "het medeplegen van: overtreding van een voorschrift krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan", 3. "het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen (96 x) gepleegd" en 4. "het medeplegen van: het misdrijf als houder van een dier aan dat dier de nodige verzorging onthouden, meermalen gepleegd" veroordeeld ten aanzien van de feiten 1. en 2. tot de stillegging van de onderneming, voorzover het betreft het houden van vee, voor de duur van één jaar, ten aanzien van feit 3. tot een geldboete van ƒ 4.800,-, subsidiair vijftig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en ten aanzien van feit 4. tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. De Hoge Raad verstaat het middel aldus dat het klaagt dat het Hof ten aanzien van de feiten 1 en 2 ten onrechte de stillegging van de onderneming heeft bevolen, omdat de verdachte niet de eigenaar van de onderneming is.

3.2. Art. 6, tweede lid, WED bepaalt dat aan degene die een economisch delict begaat onder meer de bijkomende straffen vermeld in art. 7 WED kunnen worden opgelegd. Art. 7 WED luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"De bijkomende straffen zijn:

(...)

c. gehele of gedeeltelijke stillegging van de onderneming van de veroordeelde, waarin het economische delict is begaan, voor een tijd van ten hoogste een jaar."

3.3. De Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WED houdt - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Stillegging van de onderneming van de veroordeelde houdt niet in dat de veroordeelde ook eigenaar van het bedrijf van de onderneming moet zijn. Artikel 1, van het Besluit berechting economische delicten, Staatsblad E 135, kent de bijkomende straf van sluiting der zaak en stillegging der bedrijfsmiddelen van de veroordeelde. Ons hoogste rechtscollege heeft beslist, dat het niet nodig is, dat de zaak het eigendom van de veroordeelde is, doch dat voldoende is, dat de veroordeelde in de zaak het bedrijf uitoefende, waarin hij zich aan het ten laste gelegde feit heeft schuldig gemaakt (H.R. 20 mei 1947, Nederlandse Jurisprudentie 1947, no. 365). De onderhavige redactie bedoelt hetzelfde als de genoemde bepaling van artikel 1 van het Besluit berechting economische delicten. Een andere opvatting, waarbij de onderneming alleen dan zou kunnen worden stilgelegd, indien zij de overtreder in eigendom zou toebehoren, zou de toepassing van de straf van stillegging illusoir kunnen maken, b.v. door eigendomsoverdracht (wellicht in schijn) terstond na het constateren van het strafbare feit."

(Kamerstukken II, 1948-1949, nr 5, blz. 13, Stb 1950, K 258)

3.4. Uit deze passage volgt dat de bijkomende straf van stillegging van de onderneming niet alleen aan de eigenaar van de onderneming, maar ook aan de degene die het bedrijf in de onderneming uitoefende, kan worden opgelegd.

3.5. Voorzover het middel tevens de klacht bevat dat de straf van stillegging van de onderneming niet kan worden opgelegd omdat de verdachte niet degene is die het bedrijf in de onderneming uitoefent, moet ook die klacht falen.

3.6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met zijn broer de agrarische inrichting gevestigd te [vestigingsplaats], exploiteerde.

3.7. Het oordeel van het Hof dat aan de verdachte de bijkomende straf van stillegging van de onderneming kon worden opgelegd geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.8. Het middel faalt derhalve.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. Zoals hiervoor onder 1 vermeld, heeft het Hof de verdachte ter zake van de als feit 3 bewezenverklaarde overtredingen - te weten "het medeplegen van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren, meermalen (96 x) gepleegd" - veroordeeld tot één geldboete van ƒ 4.800,-, subsidiair vijftig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.2. Het Hof heeft aldus verzuimd met toepassing van art. 62 Sr voor elke overtreding afzonderlijk straf op te leggen. De Hoge Raad neemt aan dat het Hof ten aanzien van elk van de 96 overtredingen afzonderlijk een (voorwaardelijke) geldboete van vijftig gulden heeft willen opleggen, subsidiair een hechtenis naar de wettelijke maatstaven. Ingevolge art. 24c, derde lid, Sr is de duur van de vervangende hechtenis ten minste één dag, zodat deze in dit geval in totaal 96 dagen, in plaats van de door het Hof opgelegde vijftig dagen, behoort te belopen. Een en ander zou dienen te leiden tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak in zoverre. De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen echter zelf afdoen, aangezien de rechter, naar wie de zaak zou worden verwezen, ten aanzien van de subsidiair op te leggen hechtenis tot geen andere beslissing zou kunnen komen dan zojuist weergegeven.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging ter zake van de als feit 3 bewezenverklaarde overtredingen;

Veroordeelt de verdachte tot de betaling van 96 geldboetes van elk € 22,69, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van telkens één dag zal worden toegepast voor het geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

Beveelt dat deze straffen niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 20 mei 2003.