Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF6203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
C01/356HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF6203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 250, geldigheid: 2003-06-06
Wetboek van Koophandel 268, geldigheid: 2003-06-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 306
NJ 2004, 670
RvdW 2003, 104
JWB 2003/231

Uitspraak

6 juni 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/356HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 8 december 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Nationale-Nederlanden - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat hij sedert 11 november 1994 jegens Nationale-Nederlanden aanspraak heeft op een uitkering uit hoofde van het ten behoeve van [eiser] bij Nationale-Nederlanden verzekerde arbeidsongeschiktheidspensioen;

2. Nationale-Nederlanden te veroordelen om aan [eiser] te betalen de somma van ƒ 49.105,70, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nationale-Nederlanden heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 30 oktober 1996 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Na tussenarresten van 2 juli 1998, 4 februari 1999, 16 maart 2000, 7 september 2000 en getuigenverhoor op 12 december 2000 heeft het Hof bij eindarrest van 6 september 2001 het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Voornoemde arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen alle arresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Nationale-Nederlanden heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden arresten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2-1.12.

3.2 Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

[Eiser] vordert uitkering onder een door Holding Kobra Asten B.V. (hierna: HKA), waarvan hij tot 1997 enig directeur en aandeelhouder is geweest, bij Nationale-Nederlanden gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarbij hij de enige verzekerde was.

Nationale-Nederlanden heeft uitkering geweigerd op de grond dat het hier om een schadeverzekering gaat en het verzekerbaar belang was komen te ontbreken, daar het sinds 1991 door [eiser] genoten inkomen vrijwel nihil is geweest en Nationale-Nederlanden op die grond de verzekering per 1 januari 1991 heeft geroyeerd.

[eiser] heeft primair aangevoerd dat de onderhavige verzekering geen schadeverzekering maar een sommenverzekering is en derhalve het door hem van HKA ontvangen inkomen niet van belang is. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de verzekering strekt tot verzekering van zijn verdiencapaciteit als zodanig; deze grond is in cassatie niet meer aan de orde. Meer subsidiair heeft hij betwist dat er geen sprake zou zijn van een verzekerbaar belang.

De Rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen; het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3.1 De onderdelen 1 en 2 van het middel komen op tegen het oordeel van het Hof dat de onderhavige verzekering een schadeverzekering is.

3.3.2 Het Hof heeft in rov. 4 van zijn eerste tussenarrest, gedateerd 2 juli 1998, overwogen dat uit het/de ten processe overgelegde polisblad en polisbepalingen blijkt, dat deze collectieve verzekering betreft "de ten behoeve van de individuele werknemer krachtens deze overeenkomst gesloten verzekering van arbeidsongeschiktheidspensioen" (art. 1.3), met de strekking "verzekerd is een door de maatschappij te verrichten uitkering van a.o.-pensioen tijdens arbeidsongeschiktheid van de verzekerde na het verstrijken van de eigen risicotermijn" (art. 6), maar dat in die stukken niet met name is vermeld dat de verzekering strekt tot het schadeloos stellen van de verzekerde werknemer wegens derving van inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. Op grond van hetgeen vooraf is gegaan aan het sluiten van de verzekering en enige andere feiten komt het Hof echter in rov. 6 tot het oordeel, dat [eiser] de polisbepalingen redelijkerwijs heeft moeten opvatten in die zin dat de uitkeringen ingevolge deze verzekering mede zijn gebaseerd op zijn arbeidsinkomen en dat de verzekering strekt tot schadeloosstelling voor derving van inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid, zodat deze verzekering moet worden aangemerkt als een schadeverzekering.

3.3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het Hof heeft miskend dat bij een sommenverzekering niet is uitgesloten dat het motief bij de verzekeringnemer tot het aangaan van de verzekering is gelegen in het door de verzekerde ontvangen van een uitkering in geval van een schadeveroorzakend voorval, welke uitkering al dan niet kan worden aangewend voor het compenseren van door het voorval geleden schade, en de verzekering dus in zoverre strekt tot schadeloos stellen, en dat die strekking (van schadeloos stellen) derhalve niet relevant, althans niet doorslaggevend is voor de aard van de verzekering. Beslissend is, aldus het onderdeel, of de verzekeringsovereenkomst de hoogte van de uitkering afhankelijk stelt van de als gevolg van een onzeker voorval geleden schade.

Het onderdeel faalt, aangezien het Hof zijn oordeel niet uitsluitend heeft gebaseerd op de bedoeling van de verzekeringnemer, doch op hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer zijn overeengekomen en hetgeen de verzekerde te dien aanzien redelijkerwijs heeft moeten begrijpen en daarbij overeenkomstig de door het middel bedoelde maatstaf met name (ook) heeft onderzocht of [eiser] de polisvoorwaarden redelijkerwijs heeft moeten opvatten in die zin dat de uitkering ingevolge de verzekering strekt tot vergoeding van (werkelijk geleden) schade wegens het derven van inkomen dat bij het uitblijven van het voorval zou zijn verdiend.

3.3.4 Onderdeel 2.1 klaagt dat het Hof heeft miskend dat het bij de uitleg van een verzekeringsovereenkomst als de onderhavige, in geval van een aanspraak van een derde op uitkering uit hoofde van de overeenkomst, in beginsel aankomt op de zin waarin [eiser] als verzekerde derde de polisbepalingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht opvatten. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het Hof juist in rov. 4 van het eerste tussenarrest als uitgangspunt heeft genomen dat, nu partijen van mening verschillen omtrent de uitleg van de verzekeringsovereenkomst op dit punt, het aankomt op de zin waarin [eiser] als verzekerde derde deze polisbepalingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht opvatten, waarbij wetenschap van HKA niet zonder meer aan [eiser] valt toe te rekenen. Deze overweging is in cassatie niet bestreden.

3.3.5 Onderdeel 2.2 somt allereerst een aantal omstandigheden op, waarop [eiser] zich heeft beroepen ten betoge dat de onderhavige verzekering een sommenverzekering is, en verbindt hieraan vervolgens enige rechts- en motiveringsklachten. Onderdeel 2.3 komt op tegen de betekenis die het Hof heeft gehecht aan de inhoud van de offerte van 17 april 1987 en van het daaraan voorafgegane aanvraagformulier.

De klacht dat, voorzover het Hof van oordeel mocht zijn dat deze omstandigheden niet relevant zijn voor de vraag of sprake is van een sommenverzekering, dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft onderkend dat de aan hem voorgelegde gegevens betreffende de verzekering niet eenduidig waren en is op grond van een afweging tot het oordeel gekomen dat de verzekering een schadeverzekering is. Daarbij heeft het Hof in het bijzonder betekenis gehecht aan (i) het door B.V. Assurantiebedrijf Algemene Bank Nederland Helmond, tussenpersoon van HKA, ingevulde aanvraagformulier, waarin wordt verwezen naar een gesprek van 19 maart 1987, (ii) de vervolgens door Nationale-Nederlanden uitgebrachte offerte, gedateerd 17 april 1987, (iii) een aan Nationale-Nederlanden gerichte brief van Algemene Bank Nederland N.V., Afdeling Assurantie, van 4 juli 1990, (iv) de inhoud van het deelnemersbewijs dat door Nationale-Nederlanden aan [eiser] werd verstrekt, en (v) het feit dat [eiser] jaarlijks een door hem ondertekende opgave van zijn salaris heeft gedaan, welke door de tussenpersoon aan Nationale-Nederlanden is toegezonden. De aldus door het Hof gegeven motivering is niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende. Anders dan in onderdeel 2.3 wordt betoogd, kan hieraan niet afdoen dat het aanvraagformulier en de offerte ook elementen bevatten die voor een andere uitleg pleiten.

De klacht dat de motivering waarmee het Hof het door [eiser] gedane beroep op art. 18 van de polisvoorwaarden heeft verworpen, onbegrijpelijk is, omdat het Hof slechts overweegt dat de daarin voorziene mogelijkheid niet met zich brengt dat de verzekering in het normale geval van voortgaande dienstbetrekking het karakter van een sommenverzekering krijgt, terwijl betoogd was dat deze omstandigheid de stelling ondersteunt dat de verzekering óók in het 'normale geval' een sommenverzekering is, kan wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het Hof met het woord "krijgt" kennelijk niet meer bedoelt dan dat het in art. 18 bepaalde ten aanzien van het onderhavige geval niet tot een ander oordeel leidt.

De klacht dat het Hof zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd door geen aandacht te besteden aan art. 7 en art. 6 van de polisvoorwaarden faalt eveneens. Het Hof is in rov. 4 van zijn eerste tussenarrest uitdrukkelijk ingegaan op art. 6. Voor art. 7 geldt dat [eiser] daarover geen stelling heeft aangevoerd, die het Hof ertoe noopte om in zijn motivering uitdrukkelijk op deze bepaling in te gaan.

De rechtsklachten van de onderdelen 2.2 en 2.3 bouwen kennelijk voort op onderdeel 2.1 en moeten het lot daarvan delen.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de onderdelen 2.2 en 2.3 tevergeefs zijn voorgesteld.

3.4.1 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de meer subsidiaire stelling van [eiser].

3.4.2 Het Hof heeft in rov. 7 van zijn eerste tussenarrest overwogen dat, nu het arbeidsongeschiktheidspensioen als schadeverzekering valt aan te merken, dit betekent dat [eiser] als verzekerde in elk geval ten tijde van de ingangsdatum van zijn arbeidsongeschiktheid - op of omstreeks 11 november 1993 - een verzekerbaar belang moest hebben als bedoeld in art. 250 jo. 268 K.

Het Hof heeft in rov. 2 van zijn eindarrest het verloop van het geding in hoger beroep ten aanzien van dit punt als volgt samengevat:

"2. In het tussenarrest van 2 juli 1998 is overwogen dat naar het oordeel van het hof geen verzekerbaar belang aanwezig is indien het arbeidsinkomen van [eiser] zodanig zou zijn verminderd, dat 70% van zijn arbeidsinkomen in 1993 ligt beneden de som van de jaarlijkse uitkering ingevolge de levensverzekering en de A.A.W., alsmede dat, naar niet is bestreden, [eiser] in 1993 feitelijk slechts een salaris heeft genoten van ƒ 1.500,--.

Naar aanleiding van de in de - ten processe overgelegde - jaarstukken over 1993 opgenomen post Reserve Uitgesteld Salaris ten bedrage van ƒ 138.500,-- is [eiser] verzocht bescheiden over te leggen, waaruit blijkt dat de fiscus met deze RUS-regeling heeft ingestemd en bescheiden waaruit blijkt dat hij in 1993 recht had op een salaris van ƒ 138.500,-- en toen met de vennootschap is overeengekomen dat zijn salaris over 1993 niet in dat jaar maar later zou worden uitbetaald, zulks in het kader van de beoordeling van de vraag of de loonvordering van [eiser] over 1993 ten bedrage van ƒ 140.000,--/ƒ 138.500,-- een reële vordering was en [eiser] aldus een verzekerbaar belang had. In dat kader is [eiser] vervolgens bij het tussenarrest van 7 september 2000 toegelaten tot nader bewijs van zijn stelling dat hij met de vennootschap is overeengekomen dat zijn salaris over 1993 zou worden uitbetaald in 1997."

Na het horen van de door [eiser] naar voren gebrachte getuigen is het Hof in zijn eindarrest tot het oordeel gekomen dat niet kan worden gezegd dat er sprake was van een reële vordering van [eiser] op HKA, toen hij in november 1993 arbeidsongeschikt werd. Dit brengt mee, aldus het Hof, dat hij wegens het ontbreken van een verzekerbaar belang geen rechten kan doen gelden op uitkeringen ingevolge de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering.

3.4.3 Onderdeel 3 klaagt dat onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, is 's Hofs oordeel dat voor het verzekerbaar belang uitsluitend relevant is het arbeidsinkomen van [eiser] in 1993 en niet mede het arbeidsinkomen van de daaraan voorafgaande jaren, nu uit de positie van [eiser] als directeur-grootaandeelhouder van de verzekeringnemer HKA, en de significante discrepantie tussen de jaarinkomens over 1990, 1991, 1992 en 1993 blijkt dat het fiscale jaarinkomen geen verband hield met een waardering van de prestaties van [eiser], en is aangevoerd dat sprake is van een incidentele salarisverlaging in verband met de bedrijfssituatie. Deze klacht faalt.

De Rechtbank heeft in rov. 1.7 vastgesteld dat over de periode 1991 t/m 1993 jaarlijks aan Nationale-Nederlanden is opgegeven dat het salaris van [eiser] ƒ 150.000,-- bedraagt, doch dat [eiser] in 1991, 1992 en 1993 feitelijk van HKA aan salaris heeft ontvangen respectievelijk ƒ 96.050,--, ƒ 1.647,-- en ƒ 1.500,--. Het Hof heeft blijkens rov. 2 van zijn eerste tussenarrest deze vaststelling overgenomen.

Naar de Rechtbank heeft vastgesteld in rov. 1.9 - door het Hof overgenomen in rov. 2 van zijn eerste tussenarrest - heeft Nationale-Nederlanden bij brief van 7 september 1994 onder meer aan [eiser] medegedeeld dat uit de rapporten van Expertisebureau [A] blijkt dat er sinds 1991 geen sprake meer is van een verzekerbaar belang voor het a.o.-pensioen daar het sinds 1991 genoten inkomen vrijwel nihil is geweest. Dit brengt volgens de brief mee dat de polis per eerdergenoemde datum geroyeerd dient te worden met restitutie van de premie vanaf de royementsdatum.

In de door het onderdeel bestreden overweging ligt besloten dat het Hof in zoverre met het standpunt van [eiser] is meegegaan, dat het - anders dan Nationale-Nederlanden - de achteruitgang van de in de jaren 1991 t/m 1993 aan [eiser] betaalde salarisbedragen niet bepalend heeft geacht voor de vraag of [eiser] in november 1993 nog een verzekerbaar belang had. Het Hof heeft voor een bevestigende beantwoording van deze vraag echter wel nodig geacht dat de in de jaarstukken over 1993 opgenomen post Reserve Uitgesteld Salaris van [eiser] ten bedrage van ƒ 138.500,-- (ƒ 140.000,-- verminderd met ƒ 1.500,--) een reëel karakter had. Aldus oordelend heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk in het licht van de in onderdeel 3 gereleveerde stellingen van [eiser].

3.5 Het vorenoverwogene brengt mee dat ook de onder-delen 4 en 5, die geen zelfstandige betekenis hebben, niet kunnen slagen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nationale-Nederlanden begroot op € 652,17 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 6 juni 2003.