Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF5547

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
C01/348HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF5547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

In deze burenzaak gaat het voornamelijk om het begrip "balkons of soortgelijke werken" in art. 5:50 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2003/192
JOL 2003, 330
NJ 2003, 507
PW 2004, 21671
RvdW 2003, 111
JWB 2003/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/348HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1], en

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

1. [Verweerder 1], en

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploit van 28 december 2000 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Arnhem en - na vermeerdering van eis - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. te verbieden een balkon te stichten dat groter is dan het thans bestaande balkon, zijnde 0.85 meter diep en 2.70 meter breed, en geplaatst op 0.90 meter van de erfgrens tussen partijen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 50.000,-- dan wel een door de President in goede justitie te bepalen dwangsom.

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 9 maart 2001 de gevorderde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven hebben zij hun eis gewijzigd.

Bij tussenarrest van 14 augustus 2001 heeft het Hof een gerechtelijke plaatsopneming en een comparitie van partijen gelast. Bij eindarrest van 8 oktober 2001 heeft het Hof voormeld vonnis van de President vernietigd en, opnieuw rechtdoende, aan [eiser] c.s. verboden om op het platte dak van de achteruitbouw van de [straat] nr. 81 te [plaats], aan de zijde van nr. 83 een balustrade op te richten die vanaf de achtergevel over een afstand van 0.85 meter dichter dan 0.50 meter van de erfgrens met nr. 83 loopt en die over de verdere afstand (van 0.85 tot circa 2.50 meter vanaf de achtergevel) dichter dan 2.00 meter van de erfgrens met nr. 83 loopt. Voorts heeft het Hof [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan [verweerder] c.s. gezamenlijk van een dwangsom van ƒ 25.000,-- voor het geval een van hen of beiden het voormelde verbod zal/zullen overtreden, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

Partijen zijn buren van elkaar. Aan de achterzijde van het huis van [eiser] c.s. (huisnummer 81) bevond zich oorspronkelijk een balkon van ongeveer 2.70 m breed en 0.85 m diep, te bereiken via een deur in de achtergevel op de eerste verdieping. Dit balkon was aan de kant van [verweerder] c.s.(huisnummer 83) gelegen op ongeveer 50 cm van de erfscheidingsmuur op de begane grond. [Eiser] c.s. hebben het voornemen opgevat hun huis aan de achterzijde te vergroten met een uitbouw op de begane grond, te voorzien van een plat dak. Over de gehele breedte van dit dak zou een hekwerk worden aangebracht. [verweerder] c.s. hebben zich hiertegen verzet en de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld. Deze is door de President afgewezen.

[Verweerder] c.s. hebben hoger beroep ingesteld. Intussen was de uitbouw gerealiseerd. Deze beslaat de volle breedte van de woning van [eiser] c.s. aan de achterzijde en is aan de zijde van [verweerder] c.s. (nummer 83) ongeveer 2.50 m diep en aan de andere zijde (nummer 79) ongeveer 5.00 m diep. Het is de bedoeling van [eiser] c.s. op het platte dak van deze uitbouw een balustrade te plaatsen, zo dat deze langs de zijkanten van dit dak tot 2.50 m vanaf de achtergevel van de eerste verdieping loopt en vervolgens op 2.50 m afstand parallel aan de achtergevel.

3.2 Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat door verjaring een erfdienstbaarheid van uitzicht ten laste van het perceel van [verweerder] c.s. is ontstaan tot de diepte van het oude balkon. Voorts heeft het Hof art. 5:50 lid 1 BW van toepassing geacht, het verweer dat [verweerder] c.s. misbruik van bevoegdheid zouden maken verworpen, en [eiser] c.s. verboden op het dak van de uitbouw een balustrade op te richten die dichter bij de erfgrens ligt dan het oude balkon, voorzover gelegen binnen de in art. 5:50 lid 1 genoemde 2 meter van de erfgrens.

3.3.1 Het eerste onderdeel richt rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof in rov. 3.2 dat het platte dak van de uitbouw, zo het al geen balkon in de zin van art. 5:50 lid 1 is, dan toch ten minste daarmee in hoge mate vergelijkbaar is. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat het hier gaat om een uitbouw aan een benedenverdieping van een huis, terwijl alleen een uitbouw aan een bovenverdieping een balkon of een soortgelijk werk in de zin van genoemde bepaling kan zijn. Bovendien is een kenmerk van een balkon dat het betrekkelijk klein van oppervlakte is, aldus het onderdeel.

3.3.2 Uit het slot van art. 5:50 lid 1 blijkt dat deze bepaling ertoe strekt de mogelijkheid van uitzicht op naburige erven te beperken. Gelet op deze strekking kan ook een plat dak op een uitbouw een soortgelijk werk in de zin van die bepaling zijn. Daartoe is vereist dat het gaat om een dak dat blijkens zijn constructie - bekleding, toegangsmogelijkheden, balustrade - kennelijk bestemd is om als dakterras te worden gebruikt. Een kleine oppervlakte is daarentegen niet vereist; immers ook vanaf een groot (balkon of) dakterras kan uitzicht worden verkregen op een naburig erf.

3.3.3 Als motivering voor zijn oordeel dat in dit geval sprake is van een balkon of een soortgelijk werk in de zin van art. 5:50 lid 1 BW, vermeldt het Hof onder meer dat het platte dak vanaf de slaapkamer toegankelijk is, wordt voorzien van een laag waar overheen kan worden gelopen en van een balustrade, zo dat het een open constructie vormt die een onbelemmerd uitzicht geeft. Uit hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, volgt dat dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige gaat het om een - mede op de eigen waarneming van de raadsheer-commissaris gebaseerd - oordeel van feitelijke aard dat alleszins toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is. De klachten van dit onderdeel falen derhalve.

3.4.1 Het tweede onderdeel bestrijdt als onjuist of onbegrijpelijk het oordeel van het Hof in rov. 3.9 dat niet gebleken is van misbruik van bevoegdheid door [verweerder] c.s.

3.4.2 Bij de totstandkoming van art. 5:50 lid 1 is uitdrukkelijk afgezien van een soepeler formulering die zou meebrengen dat "onrechtmatigheid pas ontstaat, indien de rechter daartoe, na een redelijke afweging van de belangen van eigenaar en nabuur, heeft besloten". In plaats daarvan is, om de rechter meer houvast te bieden, gekozen voor de huidige formulering, waarbij "een beroep op misbruik van bevoegdheid (...) nog altijd uitkomst kan bieden, wanneer in een enkel geval de regeling als absurd of bijzonder knellend mocht worden aangevoeld" (MvA. II, Parl. Gesch. Boek 5, blz. 205).

3.4.3 Gelet op dit uitgangspunt van de wet geeft het oordeel van het Hof, dat in rov. 3.7 uitdrukkelijk heeft getoetst aan de maatstaf van art. 3:13 lid 2 BW en het plaatsen van de balustrade niet geheel, maar slechts (gemotiveerd) voor een deel heeft verboden, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige berust dit - niet onbegrijpelijke - oordeel op feitelijke waarderingen en kan het in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Ook dit onderdeel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 301,86 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het open- baar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 13 juni 2003.