Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF5536

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
C01/271HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF5536
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2003/162
JOL 2003, 304
NJ 2003, 563
JWB 2003/236
JWB 2003/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/271HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 31 juli 1997 Peku Beheer B.V. - verder te noemen: Peku - en eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Groningen en gevorderd Peku en [eiser] hoofdelijk te veroordelen aan [verweerder] te voldoen de somma van ƒ 180.620,14, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom ad ƒ 160.000,-- vanaf 29 mei 1997, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

Peku en [eiser] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tegen Peku voor zover deze de hoofdsom van ƒ 119.315,-- en de daarover verschuldigde rente vanaf 4 juni 1997 te boven gaat en tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn vordering tegen [eiser], althans tot afwijzing van die vordering.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 21 augustus 1998 Peku veroordeeld tot betaling van ƒ 126.840,--, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 119.315,-- vanaf 3 juni 1997 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Peku heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 6 juni 1999 heeft het Hof in de zaak van [verweerder] tegen Peku, in het principaal en in het incidenteel beroep, een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. In de zaak van [verweerder] tegen [eiser] heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank van 21 augustus 1998 vernietigd, voor zover daarbij de vordering van [verweerder] tegen [eiser] is afgewezen. Opnieuw rechtdoende heeft het Hof [eiser] veroordeeld om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 119.315,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 januari 1997 tot het tijdstip der voldoening, alsmede een bedrag van ƒ 1.700,-- terzake van buitengerechtelijke kosten. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, mede door mr. J.P. Heering (voor [eiser]) en mede door mr. A.J. Swelheim (voor [verweerder]), beiden advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

[Eiser] is directeur en enig aandeelhouder van Peku. In mei 1996 zijn Peku en [verweerder] overeengekomen dat Peku in de Duitse deelstaat Hessen voor ƒ 395.000,-- inclusief courtage een bepaald melkquotum voor hem zou kopen. Het melkquotum zou tijdelijk worden geregistreerd op naam van het melkveebedrijf van [eiser] in Hessen en vervolgens, na verplaatsing van dat bedrijf naar Niedersachsen, (met winst) aan veehouders daar worden verkocht.

In juni 1996 heeft [verweerder] ƒ 395.000,-- naar [eiser] overgemaakt, waarna deze het melkquotum heeft aangekocht van een zekere [betrokkene 1]. De verplaatsing van het melkquotum van Hessen naar Niedersachsen is niet doorgegaan. [Eiser] heeft het quotum daarop terugverkocht aan [betrokkene 1] en de daarvoor ontvangen koopsom aan Peku betaald. Peku heeft een deel daarvan aan [verweerder] terugbetaald, maar biedt geen verhaal voor het restant.

3.2 De hiervoor onder 1 vermelde vordering van [verweerder] tegen Peku is gegrond op de hiervoor genoemde overeenkomst, de vordering tegen [eiser] op de stelling dat deze onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld. De Rechtbank heeft de vordering tegen [eiser] afgewezen maar het Hof heeft haar toewijsbaar geacht. De motivering van dat oordeel kan als volgt worden samengevat. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat onvoldoende is gesteld en gebleken om aan te nemen dat [eiser] reeds bij het aangaan van de overeenkomst bekend was of behoorde te zijn met de onmogelijkheid van Peku om de investering van [verweerder] terug te betalen. Toen [eiser] eind 1996 het quotum weer terugverkocht aan [betrokkene 1], was de financiële situatie van Peku echter zo slecht dat [eiser] het terugontvangen bedrag niet in het vermogen van Peku had mogen laten vloeien. Door dat - wetende dat de financiële situatie van Peku zo slecht was - wel te doen heeft [eiser] "onaanvaardbaar onbetamelijk gehandeld ten opzichte van [verweerder]". Nu [verweerder] voor het restantbedrag - volgens het Hof ƒ 119.315,-- - geen verhaal kan vinden op Peku, lijdt [verweerder] tot dat bedrag schade.

3.3 Volgens de onderdelen 1 en 2 rechtvaardigt hetgeen het Hof heeft vastgesteld niet de conclusie dat [eiser] een voldoende ernstig verwijt valt te maken om hem persoonlijk aansprakelijk te houden, vooral nu geen sprake is van betalingsonwil bij Peku of [eiser]. Volgens onderdeel 3 spreekt dat temeer nu niet, althans niet zonder nadere motivering, duidelijk is op welke grond [eiser] gerechtigd was de van [betrokkene 1] ontvangen koopprijs buiten het vermogen van Peku om rechtstreeks terug te betalen aan [verweerder]. De Hoge Raad zal de onderdelen samen behandelen.

3.4 Het middel is gegrond. Het hiervoor in 3.2 samengevatte oordeel van het Hof geeft onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang.

Mocht het Hof bedoeld hebben met zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat [eiser] als bestuurder van Peku onrechtmatig heeft gehandeld, dan berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting of behoefde het nadere motivering. Het Hof is - in cassatie niet bestreden - ervan uitgegaan dat geen sprake is van een situatie waarin [eiser] als bestuurder van Peku reeds ten tijde van het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Peku niet aan haar verplichtingen jegens [verweerder] zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de dientengevolge door [verweerder] te lijden schade. Buiten die situatie zou sprake kunnen zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser] als bestuurder van Peku indien hij zou hebben bewerkstelligd of toegelaten dat Peku de eerder gesloten overeenkomst niet is nagekomen en daardoor aan [verweerder] schade heeft berokkend, maar alleen als hem daarvan een voldoende ernstig verwijt valt te maken. Voor een zodanig verwijt levert de enkele omstandigheid dat [eiser] het bij het terugverkopen van het melkquotum door hem ontvangen bedrag in het vermogen van Peku heeft laten vloeien terwijl, naar [eiser] wist, de financiële situatie van Peku slecht was, onvoldoende grond op, in het bijzonder nu, zoals het derde onderdeel terecht betoogt, zonder nadere motivering niet duidelijk is op welke grond, ervan uitgaande dat hij dit bedrag als bestuurder van Peku ontvangen had, [eiser] gerechtigd was het buiten het vermogen van Peku te houden. Andere omstandigheden die een zo ernstig verwijt zouden kunnen rechtvaardigen, heeft het Hof niet vastgesteld.

Mocht het Hof echter bedoeld hebben dat [eiser] niet omdat hij bestuurder van Peku was, maar om een andere reden in deze situatie onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld, dan behoefde zijn oordeel eveneens nadere motivering, die het arrest echter niet bevat.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 juni 2001;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.584,21 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 6 juni 2003.