Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF5529

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
C01/259HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF5529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

13 juni 2003 Eerste Kamer Nr. C01/259HR RM Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de commanditaire vennootschap [eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.V. Polak, t e g e n 1. de vennootschap naar Duits recht SHS BREMEN GmbH, gevestigd te Bremen, Bondsrepubliek Duitsland, 2. de vennootschap naar Duits recht MESSER GRIESHEIM GmbH, gevestigd te Krefeld, Bondsrepubliek Duitsland, 3. de vennootschap naar Noors recht HYDROGAS NORGE AS, gevestigd te Oslo, Noorwegen ...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 343
NJ 2005, 77
S&S 2005, 61
JWB 2003/246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/259HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de commanditaire vennootschap [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak,

t e g e n

1. de vennootschap naar Duits recht

SHS BREMEN GmbH,

gevestigd te Bremen, Bondsrepubliek Duitsland,

2. de vennootschap naar Duits recht

MESSER GRIESHEIM GmbH,

gevestigd te Krefeld, Bondsrepubliek Duitsland,

3. de vennootschap naar Noors recht

HYDROGAS NORGE AS,

gevestigd te Oslo, Noorwegen,

4. de vennootschap naar Duits recht

NORDSTERN ALLGEMEINE VERSICHERUNGS AG,

gevestigd te Keulen, Bondsrepubliek Duitsland,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft verweersters in cassatie - verder gezamenlijk te noemen: Bremen c.s. - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd, kort gezegd, het beslag op het motorschip "[...]" op te heffen, althans zodra er een zekerheid is gesteld voor ƒ 520.000,--.

Bremen c.s. hebben de vordering bestreden.

De President heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 2 april 1999 het op 30 maart 1999 gelegde conservatoire beslag op het motorschip "[...]" opgeheven.

Tegen dit vonnis hebben Bremen c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 26 juni 2001 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde voorziening geweigerd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bremen c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in 2.1 - 2.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.2 [Eiseres] heeft in kort geding primair opheffing gevorderd van het door Bremen c.s. gelegde conservatoir beslag op het motorschip "[...]" en subsidiair opheffing van het beslag na zekerheidstelling. Aan haar vordering heeft zij, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat Bremen c.s. niet gerechtigd zijn tot beslaglegging, omdat in de fixing note en het cognossement clausules zijn opgenomen die [eiseres] van aansprakelijkheid bevrijden. Subsidiair heeft zij de hoogte van de schade en van haar aansprakelijkheid bestreden.

Bremen c.s. hebben onder meer als verweer aangevoerd dat sprake was van een ernstige tekortkoming van de kapitein, omdat het schip en zijn lading bij de aanvang van de reis niet op zeewaardige wijze waren gestuwd en dat [eiseres] op grond van de vervoerovereenkomst aansprakelijk is voor de gevolgen van onzeewaardige stuwage.

3.3 De President heeft bij zijn vonnis het beslag opgeheven, zoals primair gevorderd. Op het door Bremen c.s. ingestelde hoger beroep heeft het Hof het vonnis vernietigd en de gevraagde voorziening geweigerd. Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. In het kader van een kort geding tot opheffing van een beslag is slechts plaats voor een summier onderzoek naar de deugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd (rov.4). Tussen partijen is in geschil, welke uitleg moet worden gegeven aan de clausules in de fixing note en het cognossement inzake uitsluiting van aansprakelijkheid voor deklading. Het antwoord daarop kan - mede tegen de achtergrond dat de bevrachter geen bemoeienis heeft gehad met de belading, doch stuwage, belading en vastsjorren heeft overgelaten aan de kapitein en de bemanning - slechts worden gevonden door een nader feitelijk onderzoek. Reeds daarom moet, in aanmerking genomen dat de aard van een kort geding aan een dergelijk onderzoek in de weg staat, worden geoordeeld dat de President ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Bremen c.s. is gebleken. Daar komt bij dat in hoger beroep ook ter zake van de tweede door de President beantwoorde vraag, of sprake is van bewuste roekeloosheid, althans grove nalatigheid aan de zijde van [eiseres] bij het vastzetten van de coldbox, zoveel onduidelijkheid is ontstaan, dat ook in dat opzicht een nader feitelijk onderzoek geboden is, waarvoor de bodemprocedure de aangewezen weg is (rov. 6).

3.4.1 Onderdeel 3 klaagt dat, voorzover het Hof heeft bedoeld te beslissen dat de onderhavige zaak zich niet leent voor behandeling en beslissing in kort geding zoals bedoeld in art. 291 en/of art. 705 lid 3 in verbinding met 438 lid 3 (oud) Rv., het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.4.2 Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft immers niet geoordeeld dat de zaak zich niet leent voor behandeling en beoordeling in kort geding. Met zijn hiervoor in 3.3 samengevatte oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het overeenkomstig art. 705 lid 2 (oud) Rv. de toewijsbaarheid van de vordering tot opheffing van het beslag heeft getoetst aan het criterium of summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor beslag is gelegd, en dat het tot de conclusie is gekomen dat aan dat criterium niet is voldaan, terwijl voor een verdergaande beoordeling van die deugdelijkheid nader feitelijk onderzoek nodig is. Het daarop volgende oordeel dat voor zo'n nader feitelijk onderzoek in kort geding geen plaats is, impliceert niet dat naar het oordeel van het Hof de vordering tot opheffing van het beslag zich niet voor behandeling en beslissing in kort geding leent.

3.4.3 Ook de onderdelen 1 en 2 gaan uit van een onjuiste lezing van het arrest van het Hof en kunnen reeds daarom niet tot cassatie leiden. Anders dan onderdeel 1 betoogt, heeft het Hof niet de door Bremen c.s. voorgestane uitleg van de vrijtekeningsclausules verkozen boven de door [eiseres] bepleite uitleg daarvan en anders dan onderdeel 2 tot uitgangspunt neemt, heeft het Hof niet geoordeeld dat bij het vastzetten van de coldbox sprake is geweest van bewust roekeloos of grof nalatig handelen aan de zijde van [eiseres]. Op beide punten heeft het Hof, op de hiervoor in 3.4.2 uiteengezette wijze, summier de deugdelijkheid van de vordering van Bremen c.s. onderzocht en geoordeeld niet tot ondeugdelijkheid daarvan te kunnen concluderen zonder nader feitelijk onderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is.

3.4.4 Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing van een beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van het kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, zij het dat de kortgedingrechter dient te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen (HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481). Gelet daarop geeft het oordeel van het Hof, opgevat zoals hiervoor in 3.4.2 uiteengezet, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Voorzover het middel bedoelt hierover te klagen, faalt het derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Bremen c.s. begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 13 juni 2003.