Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF5110

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
37727
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 449 met annotatie van Van de Merwe
FutD 2003-0400
BNB 2003/156
FED 2003/165
Belastingadvies 2003/5.4
WFR 2003/441, 1
V-N 2003/16.6

Uitspraak

Nr. 37.727

28 februari 2003

SD

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 september 2001, nr. BK-99/01476, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 85.134.

Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 89.334, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte nog niet bekend was. De toelichting op het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof heeft miskend dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen blijkt dat voor de beoordeling of belanghebbende wist of behoorde te weten dat te weinig belasting werd betaald uiterlijk het moment van ontvangst van het aanslagbiljet geldt en niet, zoals het Hof heeft geoordeeld, het moment waarop aangifte werd gedaan.

Deze klacht kan niet tot cassatie leiden, omdat het in de onderhavige zaak gaat om toepassing van het Besluit van 5 juli 1996, BNB 1996/294, waarin is bepaald dat de inspecteur aanleiding zal kunnen vinden na te vorderen in gevallen waarin een belastingplichtige te kwader trouw de waarde van een woning tot een veel te laag bedrag "in zijn aangifte heeft opgenomen".

3.2. De overige in het middel vervatte klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 37726 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 644, derhalve € 322 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2003.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.