Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4608

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
09-05-2003
Zaaknummer
C01/261HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 476a, geldigheid: 2003-05-09
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 477a, geldigheid: 2003-05-09
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 722, geldigheid: 2003-05-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 274
NJ 2003, 517
JWB 2003/209

Uitspraak

9 mei 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/261HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser] handelende onder de naam W.E.L.-ACCOUNTANCY,

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

de onderlinge waarborgmaatschappij ANOVA ZORGVERZEKERINGEN U.A.,

gevestigd te Amersfoort,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 27 november 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: Anova - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd Anova te veroordelen tot het doen van een gerechtelijke verklaring van de vorderingen die door het exploit van 14 augustus 1998 ten laste van de stichting Stichting De Biltse Hof onder haar gelegde beslag zijn getroffen. Voorts heeft [eiser] gevorderd Anova te veroordelen tot betaling en afgifte aan [eiser] van hetgeen volgens de vaststelling door de Rechtbank aan [eiser] zal blijken toe te komen.

Anova heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 21 juni 2000 Anova veroordeeld aan [eiser] datgene te betalen wat volgens vaststelling door de Rechtbank in dit vonnis aan [eiser] als executant naar aanleiding van het door hem op 14 augustus 1998 onder Anova gelegde beslag toekomt, te weten ƒ 59.119,--. Voor het overige heeft de Rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door partijen met het in rov. 4.17 van haar vonnis omschreven doel.

Tegen dit vonnis heeft Anova hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en zijn eis daarbij vermeerderd, zoals nader omschreven in de memorie van antwoord. Anova heeft zich tegen deze eiswijziging verzet.

Bij beschikking van 15 februari 2001 heeft het Hof het verzet tegen de vermeerdering van eis ongegrond verklaard.

Bij arrest van 31 mei 2001 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen Anova is verstek verleend. De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] pretendeert een aanzienlijke vordering op de stichting De Biltse Hof in Bilthoven uit hoofde van wanprestatie in het kader van een overeenkomst tot het verstrekken van facilitaire diensten als accountant.

(ii) Voor de desbetreffende vordering is door [eiser] op 14 augustus 1998 conservatoir derdenbeslag gelegd onder Anova.

(iii) De Biltse Hof is bij in kort geding gewezen vonnis van 24 september 1998 veroordeeld om betalingen ter zake van de eerder bedoelde vordering aan [eiser] te doen.

(iv) Anova heeft op de voet van art. 476a Rv. verklaard dat zij op de beslagdatum, 14 augustus 1998, niets aan De Biltse Hof verschuldigd was.

3.2 [Eiser] was het met de in 3.1 onder (iv) vermelde verklaring van Anova oneens en heeft Anova op 27 november 1998 gedagvaard en op de voet van art. 477a Rv. die verklaring betwist. Tussen [eiser] en Anova bestaat, samengevat, een geschil over de vraag of de betalingen die ondanks het op 14 augustus 1998 ten laste van De Biltse Hof onder Anova gelegde conservatoire derdenbeslag zijn verricht op grond van twee op diezelfde dag door Anova ten gunste van De Biltse Hof gegeven betalingsopdrachten tegenover [eiser] als beslaglegger van waarde zijn.

De Rechtbank heeft Anova veroordeeld tot betaling van ƒ 59.199,-- en haar voorts toegelaten tot bewijslevering. In het hoger beroep heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen.

3.3 Het Hof oordeelde in rov. 4.4 dat [eiser] het kort geding vonnis van 24 september 1998 eerst op 6 september 2000 aan Anova heeft doen betekenen en derhalve na het verloop van de in art. 722 Rv. aangegeven termijn van één maand, alsmede dat de betalingen die Anova na de beslaglegging en vóór de betekening van het kort geding vonnis aan De Biltse Hof heeft gedaan, van waarde waren.

3.4 Onderdeel 1 strekt met juistheid ten betoge dat dit oordeel onjuist is voor zover het gaat om betalingen die zijn gedaan vóór het verstrijken van de termijn van één maand van art. 722 Rv. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 november 1981, nr. 11726, NJ 1982, 207, geoordeeld dat het laten verlopen van de termijn van art. 740 (oud) Rv. niet tot gevolg heeft dat óók alle betalingen die de derde heeft gedaan gedurende de wellicht lange periode tussen het leggen van het (conservatoire) derdenbeslag en het einde van de in art. 740 (oud) Rv. genoemde termijn alsnog tegenover de arrestant van waarde zijn. In zijn arrest van 18 maart 1994, nr. 15260, NJ 1994, 407, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de rechtsontwikkeling sedert het wijzen van voormeld arrest van 1981 geen aanleiding geeft van het daarin gegeven oordeel terug te komen: het arrest van 1981 blijft zijn betekenis voor art. 722 behouden.

Dit een en ander brengt mee dat niet-inachtneming van de in art. 722 Rv. voorgeschreven termijn voor betekening van het vonnis van 24 september 1998 meebrengt dat na die termijn gedane betalingen van de derde beslagene ten opzichte van de beslaglegger als 'van waarde' moeten worden aangemerkt, maar vóór het verstrijken van die termijn gedane betalingen niet. Het onderdeel slaagt derhalve.

3.5 In rov. 4.4 heeft het Hof tevens geoordeeld dat de betekening van de executoriale titel (het kort geding vonnis van 24 september 1998) op de voet van het voorschrift van art. 722 Rv. dient te geschieden binnen één maand nadat deze titel is verkregen, derhalve vóór 24 oktober 1998.

[Eiser] heeft geen belang bij onderdeel 2, dat strekt ten betoge dat de termijn van art. 722 Rv., waar het het kort geding vonnis van 24 september 1998 betreft, eindigde op 24 oktober 1998 en dat het Hof dus ten onrechte van belang zou hebben geacht of betekening vóór 24 oktober 1998 had plaatsgehad, nu betekening op 24 oktober 1998 zelf ook nog tijdig zou zijn geweest; de stukken van het geding laten immers geen andere conclusie toe dan dat de betekening van het kort geding vonnis van 24 september 1998 noch vóór 24 oktober 1998 noch op 24 oktober 1998 heeft plaatsgevonden doch pas verricht is op 6 september 2000.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 mei 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Anova in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 372,61 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 mei 2003.