Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4607

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-05-2003
Datum publicatie
23-05-2003
Zaaknummer
C01/255HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 292
NJ 2003, 494
RvdW 2003, 98
IER 2003, 52
JWB 2003/219

Uitspraak

23 mei 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/255HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND (KNVB),

gevestigd te Zeist,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,

t e g e n

STICHTING FEYENOORD,

gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de KNVB - heeft bij exploit van 1 april 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: Feyenoord - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat het recht met betrekking tot het (doen) opnemen en uitzenden van radio- en televisie-opnamen, zowel voor samenvattingen als integrale wedstrijden van de voetbalwedstrijden, die worden gespeeld in het kader van de door de KNVB georganiseerde competities toekomen aan alle clubs gezamenlijk: KNVB en de clubs;

2. Feyenoord te verbieden over te gaan tot een eenzijdige en individuele exploitatie, in welke vorm dan ook, van de radio- en televisie-opnamen, zowel voor samenvattingen als voor integrale wedstrijden van wedstrijden gespeeld in het kader van de door de KNVB georganiseerde competities, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 100.000,-- voor elke dag of keer dat Feyenoord het verbod na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis zou schenden;

3. subsidiair: Feyenoord te verbieden de tv-uitzend-rechten van door haar te spelen thuiswedstrijden individueel uit te baten met voorbijgaan aan de reglementaire bepalingen van de KNVB en het toezicht dat de KNVB op grond daarvan dient uit te oefenen, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 100.000,-- voor elke dag of keer na de betekening van het te wijzen vonnis dat Feyenoord dit verbod zou overtreden.

Feyenoord heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 9 september 1999 de vorderingen van de KNVB afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de KNVB hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Feyenoord heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 31 mei 2001 heeft het Hof in het principale beroep het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, en het incidentele beroep verworpen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de KNVB beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Feyenoord heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Feyenoord mede door mr. M.B. Esseling, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1 tot en met 2.10.

3.2 Centraal in deze zaak staat de vraag aan wie de "uitzendrechten" met betrekking tot ("flitsen" van) voetbalwedstrijden in de door de KNVB georganiseerde Eredivisie (thans genaamd: Holland Casino Eredivisie) en Eerste divisie (thans genaamd: Gouden Gids Divisie) toekomen. Volgens de KNVB luidt het antwoord op die vraag: aan de KNVB en de in die divisies spelende clubs gezamenlijk. Feyenoord daarentegen stelt zich op het standpunt dat die rechten uitsluitend toekomen aan de thuisspelende club.

3.3 De Rechtbank heeft het standpunt van Feyenoord juist bevonden en de hiervoor onder 1 vermelde vorde-ringen van de KNVB afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof de grieven van de KNVB verworpen. Daartoe heeft het Hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

Hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in de rov. 5.2 en 5.3 van zijn arrest van 23 oktober 1987, nr. 12916, NJ 1988, 310 (NOS/KNVB) behoeft nadere uitwerking nu het in de onderhavige zaak gaat om een geschil tussen de KNVB en een van zijn aangesloten clubs en niet om een geschil tussen de NOS en de KNVB die mede optreedt namens de bij hem aangesloten clubs. De clubs hebben uit hoofde van hun eigendoms- of gebruiksrecht van het stadion of het terrein in beginsel de vrijheid om aan hun toestemming tot het betreden ervan beperkingen te verbinden, ook met het oog op het tot stand brengen van radio- en/of televisieuitzendingen. Uitoefening van die vrijheid dient te geschieden met inachtneming van beperkingen op grond van de wet of overeenkomst. In verband hiermee kunnen de clubs, waaronder Feyenoord, in beginsel aanspraak maken op de uitzendrechten van voetbalwedstrijden die gespeeld worden in het stadion of op het terrein waarvan zij eigenaar zijn of waarvan zij een gebruiksrecht hebben. Feyenoord zou mogelijk in strijd handelen met de haar jegens de KNVB betamende zorgvuldigheid indien zij de KNVB geen redelijke vergoeding betaalt ingeval de KNVB grotendeels het economisch risico van de wedstrijden draagt. (rov. 9)

De kernverantwoordelijkheid voor de thuis te spelen wedstrijden ligt bij de thuisspelende club, en het is deze club die in verhouding tot de KNVB grotendeels het economisch risico van die wedstrijden draagt. (rov. 12)

In dit geval is niet gebleken dat het organiseren (en/of spelen) van een (thuis)wedstrijd een zogeheten éénlijnsprestatie is en evenmin is sprake van het profiteren van een zodanige prestatie door een derde. (rov. 13)

De enkele omstandigheid dat de KNVB gedurende tientallen jaren heeft gecontracteerd ter zake van de uitzendrechten brengt niet mee dat hij medegerechtigd is (geworden) tot die uitzendrechten. (rov. 14)

Uit de statuten en reglementen van de KNVB blijkt niet van enige overdracht van de uitzendrechten door de thuisspelende clubs aan de KNVB. (rov. 16)

Art. 6 lid 1, onder c, van de statuten van de KNVB heeft, in samenhang met de in rov. 19 vermelde bepalingen van het Algemeen Reglement, het Reglement Betaald Voetbal en het Reglement Wedstrijden Betaald Voetbal, tot gevolg dat de KNVB opereert als een "centraal verkoopkantoor" dat voor zijn leden met uitsluiting van dezen de verkoopprijs van de uitzendrechten vaststelt om deze rechten zelf te kunnen exploiteren. Aldus is er sprake van een mededinging beperkende overeenkomst of besluit in de zin van art. 6 lid 1 Mededingingswet en art. 81 lid 1 EG. Art. 6 lid 1, onder c, van de statuten en de hiervoor bedoelde reglementsbepalingen zijn nietig. (rov. 22)

3.4.1 Middel I klaagt dat het Hof in zijn rov. 9 heeft miskend dat de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 3.3 genoemde arrest van 23 oktober 1987 in de zaak tussen de KNVB en de NOS aan de KNVB en zijn clubs een vorm van bescherming ter zake van de uitzendrechten heeft toegekend, welke vorm van bescherming niet van karakter verandert naargelang het gaat om een geschil tussen de KNVB en een van zijn clubs dan wel de KNVB en een derde.

3.4.2 In genoemd arrest is, voor zover thans van belang, met name aan de orde de vraag of de KNVB en de clubs in die zin gerechtigd zijn zich tegen het uitzenden van reportages per televisie of radio van die wedstrijden te verzetten dat zij voor hun toestemming tot uitzending een vergoeding mogen verlangen. Die vraag werd - kort gezegd op grond van de bevoegdheden die de KNVB en de clubs aan het eigendoms- of gebruiksrecht van de stadions of wedstrijdterreinen kunnen ontlenen - bevestigend beantwoord. In dat arrest valt echter, anders dan het middel wil, niet te lezen dat de KNVB, die - zoals het Hof heeft overwogen - mede, dat wil zeggen voor zover het de hier van belang zijnde subsidiaire grondslag van de primaire vordering van de KNVB betrof, optrad namens de clubs, in zijn verhouding tot de clubs medegerechtigd zou zijn tot de "uitzendrechten" waarover het hier gaat. Het middel faalt derhalve.

3.5.1 Middel II keert zich met een drietal klachten tegen hetgeen het Hof in rov. 13 heeft overwogen met betrekking tot de vraag a) of het organiseren van een competitie door de KNVB en het spelen van wedstrijden daarin kan gelden als een éénlijnsprestatie, dat wil zeggen als een prestatie van dien aard dat zij op één lijn valt te stellen met die welke toekenning van een absoluut recht van intellectuele eigendom rechtvaardigen, en b) of sprake is van het profiteren door een derde van die prestatie.

3.5.2 Onderdeel II.1, dat uitsluitend inhoudt dat het organiseren van een competitie door de KNVB en het spelen van wedstrijden daarin door de spelers van de clubs onder leiding van door de KNVB ter beschikking gestelde scheids- en grensrechters en waarnemers een prestatie van de KNVB en de clubs is die van dien aard is dat zij wél op één lijn valt te stellen met die welke toekenning van een absoluut recht van intellectuele eigendom rechtvaardigen, strekt in wezen ertoe de Hoge Raad te doen terugkomen van zijn in eerdergenoemd arrest van 23 oktober 1987 aan het slot van rov. 5.1 gegeven oordeel. Daartoe bestaat echter geen aanleiding. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de prestaties van de KNVB en de clubs waarop de KNVB zich in dit verband beroept, tezamen genomen niet een prestatie opleveren waaraan het hiervoor bedoelde gevolg kan worden verbonden. Onderdeel II.1 faalt derhalve.

3.5.3 Het falen van onderdeel II.1 brengt mee dat ook onderdeel II.2, dat uitgaat van het slagen van onderdeel II.1, faalt.

3.5.4 Onderdeel II.3 berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het Hof niet geoordeeld dat de "uitzendrechten", voor zover zij geen éénlijnsprestatie betreffen, niet als vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW kunnen worden aangemerkt. Onderdeel II.3 kan derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.6 De onderdelen III.1, III.2 en III.3, die blijkens de schriftelijke toelichting evenals de onderdelen III.4 en III.5 aan de orde willen stellen "dat 's hofs gedachtegang ook verenigingsrechtelijk geen steek houdt", zien eraan voorbij dat de oordelen waartegen zij zich richten door het Hof in zijn rov. 9 slechts zijn gegeven los van de verenigingsrechtelijke positie van de aangesloten clubs, waaronder Feyenoord, ten opzichte van de KNVB. Deze drie onderdelen kunnen derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.7 De Hoge Raad zal nu eerst middel V behandelen. Dit keert zich tegen 's Hofs rov. 22. Naar het middel betoogt, heeft het Hof door daar te overwegen dat de KNVB opereert als een "centraal verkoopkantoor" dat voor zijn leden met uitsluiting van deze de verkoopprijs van de uitzendrechten vaststelt om deze zelf te kunnen exploiteren, miskend dat die rechten aan de KNVB en de clubs gezamenlijk toekomen. Het middel berust klaarblijkelijk op hetzelfde onjuiste uitgangspunt als middel I en faalt derhalve eveneens op de hiervoor onder 3.4.2 uiteengezette gronden.

3.8 Het falen van middel V leidt ertoe dat aan de onderdelen III.4 en III.5 het belang komt te ontvallen, zodat ook deze falen.

3.9 Middel IV ten slotte is gericht tegen 's Hofs oordeel aan het slot van rov. 9 dat van onrechtmatig handelen van Feyenoord jegens de KNVB sprake kan zijn indien Feyenoord de KNVB geen redelijke vergoeding betaalt ingeval deze, al dan niet als (mede)organisator, grotendeels het economisch risico van de wedstrijden draagt. Het middel voldoet niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een middel van cassatie te stellen eisen. Het noemt weliswaar andere mogelijke vormen van onrechtmatig handelen van Feyenoord jegens de KNVB in verband met de "uitzendrechten", maar laat na duidelijk te maken waarom het Hof deze in zijn beoordeling had moeten betrekken. Middel IV kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de KNVB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Feyenoord begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 mei 2003.