Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4606

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2003
Datum publicatie
09-05-2003
Zaaknummer
C01/246HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2003/56 met annotatie van prof. mr. J.C.M. Leijten
JOL 2003, 273
NJ 2005, 168
RvdW 2003, 92
AV&S 2004, 14
JWB 2003/208

Uitspraak

9 mei 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/246HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

DE PROVINCIE NOORD-BRABANT,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in voorgaande en feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: de Provincie - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 24 maart 1995, NJ 1997, 569. Bij dit arrest heeft De Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 27 september 1993 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank te 's-Hertogenbosch verwezen.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 1997 de vorderingen van de Provincie in conventie afgewezen en in reconventie de primaire en subsidiaire vorderingen, alsmede de meer subsidiaire vordering van [eiser] ten aanzien van vergoeding van immateriële schade afgewezen, de door [eiser] gevorderde materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, toegewezen en voorts een descente bevolen.

Bij exploit van 17 maart 1998, rolnr. C9800334/HE, heeft [eiser] in de hoofdzaak hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van 19 december 1997 en gevorderd dat de Provincie alsnog wordt veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding ten bedrage van ƒ 25.000,--. De Provincie heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, voor zover daarin een descente werd gelast.

Eveneens bij exploit van 17 maart 1998, rolnr. C9800333/HE, heeft [eiser] bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch request civiel ingesteld tegen het arrest van dat Hof van 27 september 1993 en voor zover nodig gevorderd het vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 juli 1990 te herroepen.

De Provincie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] wegens termijnoverschrijding, althans tot afwijzing van de vordering.

Bij arrest van 26 april 2001 (rolnr. C9800333/HE) heeft het Hof in request civiel:

1. [Eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot request civiel van het arrest van dit Hof van 27 september 1993 en;

2. zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek tot request civiel van het vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 juli 1990.

In de hoofdzaak (met rolnr. C9800334/HE) heeft het Hof bij arrest van 26 april 2001 in het principaal en incidenteel appel het in reconventie gewezen vonnis van de Rechtbank van 19 december 1997, voor zover de Rechtbank daarin een descente heeft bevolen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, verstaan, dat [eiser] de meer subsidiaire vorderingen sub III niet handhaaft, en het in reconventie gewezen vonnis d.d. 19 december 1997 voor het overige bekrachtigd.

Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaten van [eiser] hebben bij brief van 13 februari 2003 op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 Voor zover in cassatie van belang kan het geschil tussen partijen als volgt worden samengevat.

(i) De Provincie had voor de aanleg van een fietspad een gedeelte van een aan [eiser] in eigendom toebehorend perceel nodig. In verband daarmee is [eiser] met een ambtenaar van de Provincie, [betrokkene 1], overeengekomen dat hij in ruil voor dit gedeelte een ander stuk grond zou verkrijgen. [Betrokkene 1] handelde namens de hoofdingenieur-directeur (verder: h.i.d.) van de provinciale waterstaat die tot het aankopen van grond bevoegd is met dien verstande dat Gedeputeerde Staten van de Provincie de overeenkomst moeten goedkeuren. Deze goedkeuring is op 20 juni 1979 verleend.

(ii) Omdat het stuk grond niet geschikt bleek om daarop een woonhuis te bouwen, heeft [eiser] om een ander stuk grond gevraagd. Op 15 januari 1979 heeft hij daartoe een tweede overeenkomst met [betrokkene 1] gesloten die echter nimmer door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd.

(iii) In het najaar van 1979 heeft de Provincie het fietspad aangelegd op het nog steeds aan [eiser] toebehorende perceel.

(iv) De Provincie heeft in de periode tussen 1979 en 1986 tevergeefs op nakoming van de eerste overeenkomst aangedrongen. [Eiser] verlangde nakoming van de tweede overeenkomst. Bij dagvaarding van 22 januari 1988 heeft de Provincie nakoming van de eerste overeenkomst gevorderd. In reconventie heeft [eiser] primair nakoming van de tweede overeenkomst en schadevergoeding gevorderd, subsidiair nakoming van de eerste overeenkomst met aanvullende schadevergoeding, en meer subsidiair schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen van de Provincie.

(v) De Rechtbank heeft in haar vonnis van 20 juli 1990 geoordeeld dat de vorderingen tot nakoming over en weer dienen te worden afgewezen en geoordeeld dat alleen de meer subsidiaire vordering van [eiser] voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen. De Rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast en verder iedere beslissing aangehouden. [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan en heeft zijn eis gewijzigd en aangevuld met een vordering tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en een vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding voor het geval geoordeeld zou worden dat geen overeenkomst tussen partijen tot stand was gekomen. Het Hof heeft bij arrest van 27 september 1993 de grieven verworpen en de zaak naar de Rechtbank verwezen, onder meer oordelende dat van afbreken van onderhandelingen door de Provincie geen sprake was geweest.

(v) Bij arrest van 24 maart 1995, nr. 15.570, NJ 1997, 569, heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof vernietigd, omdat de tegen dit laatste oordeel aangevoerde klacht gegrond was. De Hoge Raad was van oordeel dat het Hof te dezer zake had blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en bovendien de beoordeling van de hierop betrekking hebbende stellingen aan de Rechtbank had moeten overlaten.

(vi) Na verwijzing heeft de Rechtbank in haar eindvonnis de vordering van [eiser] tot vergoeding van diens materiële schade als gevolg van het feit dat hij de door hem geplande woning met bedrijfsruimte niet in de loop van 1979 heeft kunnen realiseren op het in de tweede overeenkomst bedoelde perceel, toegewezen en de overige vorderingen over en weer afgewezen.

(vii) Bij gelegenheid van de bij de Rechtbank voorafgaand aan dit vonnis op 16 juni 1997 gehouden pleidooien heeft de Provincie erkend dat de h.i.d. eigenmachtig had besloten de tweede overeenkomst terzijde te stellen en alleen de eerste overeenkomst aan Gedeputeerde Staten voor te leggen en dat zij deze overeenkomst hebben goedgekeurd zonder op de hoogte te zijn van het bestaan van de tweede. [Eiser] heeft in verband hiermee bij dagvaarding van 17 maart 1998 request civiel ingesteld tegen het arrest van het Hof van 27 september 1993 op grond van arglist of bedrog en voor zover nodig gevorderd het vonnis van de Rechtbank van 20 juli 1990 te herroepen. Het Hof heeft hem daarin niet-ontvankelijk verklaard wat het arrest van het Hof betreft en zich onbevoegd verklaard voor zover het request civiel betrekking heeft op het vonnis van de Rechtbank. Hierop heeft het middel onder A betrekking.

(viii) In het principale en incidentele hoger beroep van [eiser] en de Provincie tegen het eindvonnis heeft het Hof, in hetzelfde arrest, beslist als hiervóór in 1 is vermeld. In zijn arrest heeft het Hof onder meer de beslissing van de Rechtbank betreffende de afwijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade, waartegen het beroep van [eiser] nog slechts was gericht, bekrachtigd. Hierop heeft het middel onder B betrekking.

4. Beoordeling van het middel onder A (het request civiel)

4.1 Het Hof heeft in rov. 2.2 van zijn bestreden arrest, voor zover in cassatie nog van belang, overwogen dat de Hoge Raad het arrest van het Hof van 27 september 1993 heeft vernietigd en de zaak heeft verwezen naar de Rechtbank, zodat dit arrest geen werking meer heeft. Dit brengt volgens het Hof mee dat [eiser] geen voldoende belang heeft bij de rechtsvordering tot herroeping van dit arrest. Onderdeel A.1 van het middel klaagt terecht dat dit oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad heeft immers, naar blijkt uit zijn overwegingen, het arrest van het Hof gedeeltelijk, namelijk alleen wat betreft de beslissing van het Hof over het afbreken van onderhandelingen, vernietigd en derhalve het arrest van het Hof voor het overige in stand gelaten.

4.2 Het middel kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. [Eiser] heeft immers tegen het eindvonnis van de Rechtbank waarbij zijn primaire vordering is afgewezen, geen request civiel ingesteld. Gezien het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is het gevolg daarvan, zoals [eiser] zelf in zijn schriftelijke toelichting in cassatie al heeft doen opmerken, dat ook bij het slagen van het door hem ingestelde request civiel tegen het tussenvonnis dit eindvonnis in stand zal blijven. Het is dus uitgesloten dat [eiser] langs deze weg zijn primaire vordering opnieuw aan de rechter zal kunnen voorleggen. Dit kan ook niet langs de weg die [eiser] in onderdeel A.4 van het middel voorstelt. Het slagen van onderdeel A.1 en een van de andere in het kader van het request civiel aangevoerde onderdelen kan alleen gevolgen hebben voor de beslissing op het request civiel, maar tast op zichzelf niet de beslissing van de Rechtbank in het eindvonnis aan waarbij de primaire vordering van [eiser] is afgewezen, temeer niet nu in hoger beroep alleen nog over de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen werd doorgeprocedeerd.

4.3.1 [Eiser] heeft in cassatie nog doen aanvoeren dat "hij zich na het vaststellen van het door de Provincie gepleegde bedrog door de Rechtbank (...) voor het dilemma gesteld zag hoe hij dit bedrog in rechte aan de orde kon stellen". Geen van de denkbare procesrechtelijke wegen bood volgens hem zonder meer kans van slagen. Het feit dat aan de door hem gekozen weg het hiervóór in 4.2 vermelde bezwaar kleeft, mag volgens hem niet eraan in de weg staan dat het gesignaleerde bedrog in de procedure aan de orde wordt gesteld en hij wil daarom alsnog in staat worden gesteld zijn grieven tegen de afwijzing van de primaire reconventionele vordering naar voren te brengen.

4.3.2 Dit betoog gaat echter niet op. In cassatie moet veronderstellenderwijze als juist worden aanvaard dat [eiser] pas na het vonnis van de Rechtbank van 17 december 1997 bekend is geworden met het door hem gestelde bedrog van de Provincie. In dit vonnis was in het dictum de afwijzing van zijn primaire vordering opgenomen. Van deze afwijzing kon [eiser] niet meer in hoger beroep komen, omdat hij tegen de eindbeslissing waarop de afwijzing is gegrond, reeds tevergeefs hoger beroep (en beroep in cassatie) had ingesteld zoals de Rechtbank in haar eindvonnis in reconventie ook heeft onderkend en tot uitdrukking heeft gebracht door te overwegen dat de "primaire en subsidiaire vorderingen van [eiser] die door rechtbank, Hof en Hoge Raad niet toewijsbaar zijn geacht, thans definitief zullen worden afgewezen". Hoger beroep van het eindvonnis zou slechts resultaat kunnen hebben als ook werd geappelleerd van het tussenvonnis en dat zou betekenen dat in strijd zou worden gehandeld met de, ook door [eiser] in dit verband terecht vermelde, regel dat (behoudens de hier niet aan de orde zijnde uitzondering van een niet-ontvankelijk hoger beroep) tegen een tussenvonnis slechts eenmaal hoger beroep kan worden ingesteld. Het eindvonnis van de Rechtbank was in zoverre dus in laatste ressort gewezen. Uit het vorenstaande volgt dat tegen dat vonnis en tegen het daaraan voorafgaande tussenvonnis alleen nog request civiel openstond.

4.3.3 Het vorenoverwogene houdt in dat thans voor [eiser] alleen nog zijn meer subsidiaire vordering tot schadevergoeding openstaat. In dat verband ziet de Hoge Raad aanleiding erop te wijzen dat de hiervóór in 3.1 onder (vii) weergegeven processuele houding van de Provincie voor de rechter die over deze vordering nog moet oordelen, reden zou kunnen zijn voor een ruime toerekening van de schade(posten) als bedoeld in art. 6:98 BW.

4.4 De onderdelen A.2 tot en met A.4 behoeven voor het overige geen bespreking.

5. Beoordeling van het middel onder B (de hoofdzaak)

5.1 Onderdeel B.1 keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen de beslissing van het Hof in rov. 4.5 van zijn arrest tot bekrachtiging van de afwijzing door de Rechtbank van de vordering van [eiser] tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting van zijn persoon. De overwegingen die het Hof tot deze beslissing hebben geleid, kunnen als volgt worden samengevat.

(a) Een vordering als hier bedoeld kan worden toegewezen indien de benadeelde is aangetast in zijn persoon als bedoeld in art. 6:106 BW. Onder het recht dat gold vóór 1 januari 1992, was dit niet anders.

(b) De Provincie heeft betwist dat bij [eiser] sprake is van aantasting van zijn persoon.

(c) [Eiser] heeft aangevoerd dat hij levensvreugde heeft gederfd, omdat hij het opbouwen van een eigen bedrijf en het zijn van eigen baas gedurende tien jaar heeft moeten missen. Het onderhavige geschil heeft zijn leven en dat van zijn gezin vergald. Bij tijd en wijle heeft dit ertoe geleid dat [eiser] zich wegens psychische klachten onder medische behandeling heeft moeten stellen. Deze lijdensweg dankt hij aan de Provincie die hindernissen heeft opgeworpen om zijn bouw- en exploitatieplannen te blokkeren. Hij is inmiddels 63 jaar oud en kijkt met verbittering terug op het feit dat de jarenlang door de Provincie aangevoerde reden (belangstelling van de gemeente Maarheeze voor dat stuk grond) een drogreden blijkt te zijn geweest.

(d) Het Hof is van oordeel dat zonder meer valt aan te nemen dat [eiser] door toedoen van de Provincie levensvreugde heeft gederfd, doch dit levert op zichzelf onvoldoende grond op om te concluderen tot aantasting van zijn persoon. Niet is gebleken dat [eiser] psychisch is beschadigd, bij voorbeeld in die zin dat hij door het ontnemen van de mogelijkheid tot het opzetten van een champignonkwekerij geestelijk niet in staat is geweest zijn persoonlijke arbeidskracht zinvol op een andere wijze in te zetten. Ook de stelling van [eiser] dat hij geestelijk is verbitterd en dat hij zich bij tijd en wijle wegens psychische klachten onder medische behandeling heeft moeten stellen, is wegens onvoldoende concretisering en onderbouwing te algemeen om tot een dergelijke psychische beschadiging te concluderen.

5.2.1 De voormelde oordelen van het Hof houden terecht in dat onder omstandigheden denkbaar is dat ook wanneer alleen sprake is van een zakelijk geschil tussen partijen, de wijze waarop de ene partij zich ten opzichte van de andere partij heeft gedragen en in het bijzonder aan het ontstaan en het voortduren van het geschil en de daaraan verbonden nadelige gevolgen heeft bijgedragen, kan leiden tot psychische beschadigingen van zodanige aard dat aantasting van de persoon aanwezig geoordeeld kan worden.

5.2.2 Bij het oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is, heeft het Hof klaarblijkelijk alle omstandigheden in onderling verband meegewogen.

5.2.3 De partij die zich op aantasting van de persoon beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat [eiser] in dit geding daartoe onvoldoende concrete feiten heeft gesteld. Deze oordelen van het Hof getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Zij kunnen voor het overige, verweven als zij zijn met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onderdeel B.1 faalt daarom.

5.3 Onderdeel B.2 klaagt dat het Hof zijn beslissing in de hoofdzaak had moeten aanhouden in afwachting van een definitieve beslissing op de vordering tot request civiel. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden, omdat

het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het staat aan de rechter die over de feiten oordeelt, vrij te bepalen in welk stadium hij over de aan hem voorgelegde geschilpunten zal beslissen en geen rechtsregel brengt mee dat in afwachting van de (verdere) beslissing op een vordering tot request civiel in de hoofdzaak die daarmee verband houdt, niet meer zou mogen worden beslist.

5.4 Onderdeel B.3 heeft na wat hiervóór is overwogen geen zelfstandige betekenis en kan derhalve verder onbesproken blijven.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in beide zaken:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A. Hammerstein, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 mei 2003.