Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4530

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
38214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 375 met annotatie van De redactie
BNB 2003/144
FED 2003/132
WFR 2003/351, 1
V-N 2003/11.6

Uitspraak

Nr. 38.214

14 februari 2003

AF

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 april 2002, nr. BK 344/01, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 7237.

Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.257, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 18.082.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en belanghebbende alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij verweerschrift zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft aangenomen dat de onderhavige navorderingsaanslag is gedagtekend 3 maart 2000 en heeft in verband daarmede het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.

De voormelde aanname, welke afwijkt van datgene waarvan belanghebbende en de Inspecteur tot dan toe waren uitgegaan, heeft het Hof gegrond op een computeruitdraai uit het automatiseringssysteem van de inspectie en op uitlatingen van partijen daaromtrent ter zitting van het Hof.

3.2. Belanghebbende heeft bij zijn beroepschrift in cassatie overgelegd een kopie van het biljet van de navorderingsaanslag, gedagtekend 31 maart 2000. In het verweerschrift in cassatie heeft de Staatssecretaris aangegeven dat ervan kan worden uitgegaan dat dit de juiste dagtekening is. In het licht hiervan is niet begrijpelijk 's Hofs vaststelling dat de onderhavige navorderingsaanslag is gedagtekend 3 maart 2000.

Dit brengt mee dat 's Hofs uitspraak, als niet naar de eis der wet met redenen omkleed, niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek van de zaak in volle omvang.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in cassatie. Na verwijzing zal door het Hof worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2003.