Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4527

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
38182
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 359 met annotatie van Van de Merwe
BNB 2003/143
FED 2003/131
WFR 2003/351
V-N 2003/13.15

Uitspraak

Nr. 38.182

14 februari 2003

IR

gewezen op het beroep in cassatie van de Gemeente Landerd tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 april 2002, nr. BK-00/02236, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 7313 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Instituut Ziektekostenverzekering Ambtenaren voorziet in een algemene ziektekostenverzekering voor ambtenaren van lagere overheden (hierna: de IZA-regeling). Deze ambtenaren zijn ingevolge de voor hen geldende Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling en Uitwerkings Overeenkomst (hierna: CAR-UWO) in beginsel verplicht aan de IZA-regeling deel te nemen. De CAR-UWO geeft gemeenten de mogelijkheid om in bepaalde gevallen aan ambtenaren een vergoeding te verstrekken voor kosten welke weliswaar onder de IZA-regeling vallen, maar desondanks te hunnen laste blijven (hierna: de 1%-regeling). Belanghebbende heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

3.2. Voor het Hof was in geschil of het bij de combinatie van de IZA-regeling en de 1%-regeling, welke regelingen bij belanghebbende gelden, gaat om één aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) dan wel om twee aanspraken in voormelde zin. Het belang van deze vraag is gelegen in de omstandigheid dat volgens artikel 10, lid 4, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990, de waarde van een aanspraak ingevolge een ziektekostenregeling met een waarde van ten hoogste ƒ 60 per jaar op nihil wordt gesteld.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de 1%-regeling een aanvulling vormt op de IZA-regeling en geen "zelfstandige" verzekering schept en dat het bij de combinatie van de IZA-regeling en de 1%-regeling gaat om één aanspraak in de zin van artikel 10, lid 2, van de Wet. Dit oordeel is juist. Nu de 1%-regeling een aanvulling vormt op de IZA-regeling, die op zichzelf beschouwd een aanspraak vormt, en samen met de IZA-regeling de rechten regelt die een ambtenaar in dienst van belanghebbende op het gebied van ziektekosten jegens haar heeft, heeft het Hof terecht geoordeeld dat beide regelingen samen één aanspraak vormen.

3.4. Hieraan doet niet af dat, zoals in het eerste onderdeel van het middel wordt aangevoerd, de IZA-regeling wordt gedekt door stortingen bij derden (het IZA) en de 1%-regeling volledig ten laste van de gemeente komt. Een dergelijk verschil in financiering belet niet dat sprake is van één aanspraak als bedoeld in artikel 10, lid 2, van de Wet. Dit onderdeel van het middel faalt derhalve.

3.5. De overige onderdelen van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die onderdelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2003.

Van de Gemeente Landerd wordt ter zake van het door haar ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.