Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4342

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-06-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
00918/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4342
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

17 juni 2003 Strafkamer nr. 00918/02 AG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 mei 2001, nummer 23/001133-00, in de strafzaak tegen: [verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats]. 1. De bestreden uitspraak ...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 647
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 juni 2003

Strafkamer

nr. 00918/02

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 mei 2001, nummer 23/001133-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 30 december 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van

2. "doen plegen van een krachtens wettelijke bepalingen vereiste goederenaangifte opzettelijk onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig rechten bij invoer zouden kunnen worden geheven, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van twintig duizend gulden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. A. Robustella, advocaat te Ede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. Door het Hof is ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard, verkort en zakelijk weergegeven, dat zij opzettelijk verschillende ingevolge wettelijke bepalingen vereiste aangiften ten invoer tot verbruik van aan belasting onderworpen goederen, onjuist heeft doen of laten doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig rechten bij invoer zouden kunnen worden geheven door in de aangiften telkens een te laag, in elk geval een onjuist, bedrag aan statistische douanewaarde te doen of laten opgeven.

3.3. Het gaat in dit geding, kort gezegd, om het volgende. [Verdachte] importeert in Nederland textielgoederen vanuit Hongkong en koopt deze van de aldaar gevestigde leverancier, [A]. Deze exporteur behoeft in dat verband een door de plaatselijke autoriteiten af te geven exportvergunning, welke wordt verstrekt voor een bepaalde hoeveelheid goederen, het zogenaamde quotum. Aan [verdachte] werden door [A] voor de leveranties twee facturen gezonden, één factuur met de goederenwaarde en een aparte factuur met de in rekening gebrachte quotakosten. De facturen met de goederenwaarde gingen naar de douane-expediteur om de textielgoederen aan te geven voor het vrije verkeer. De facturen met de quotakosten werden niet aan de douane-expediteur beschikbaar gesteld. Deze quotakosten waren aldus telkens niet begrepen in de opgegeven douanewaarde van de ingevoerde goederen als bedoeld in art. 29, eerste lid, van het Communautair Douanewetboek (CDW).

3.4. De vraag of quotakosten deel uitmaken van de douanewaarde heeft het Hof van Justitie EG in het bijzonder in zijn arrest van 9 augustus 1994, (Thiersmidt/Hauptzollamt Essen, C-340/93, Jur EG 1994, blz. I-3905) aldus beantwoord, zakelijk weergegeven, dat de door de koper aan de verkoper betaalde kosten voor quota die kosteloos aan de verkoper zijn toegewezen, deel uitmaken van de douanewaarde (vgl. rov. 22). Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de kosten voor quota van derden en de kosten voor aan de exporteur tegen betaling afgegeven eigen quota bij de aangifte van de douanewaarde niet afzonderlijk behoeven te worden opgevoerd (vgl. rov. 25 en 28). Wat betreft de bewijslast heeft het Hof van Justitie EG overwogen dat wanneer de koper quotakosten buiten de douanewaarde wil laten, op hem de bewijslast rust dat het quota van derden of aan de exporteur tegen betaling toegewezen eigen quota betreft (vgl. rov. 27).

Deze rechtspraak komt er dus op neer dat de door de exporteur aan de koper in rekening gebrachte aan de exporteur tegen betaling toegekende of van derden verkregen quota niet tot de douanewaarde van de ingevoerde textielgoederen behoren, maar in rekening gebrachte quotakosten in verband met kosteloos toegekende eigen quota wel. Die laatstbedoelde kosten moeten worden aangemerkt als bedragen die onderdeel uitmaken van de transactiewaarde, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs in de zin van art. 29, eerste lid, CDW.

3.5. Het Hof heeft als bewijsmiddelen onder meer gebezigd:

- een proces-verbaal, inhoudende als relaas van bevindingen van verbalisanten, kort gezegd, dat telkens bij de aangifte ten invoer niet de factuur betreffende de quotakosten was gevoegd (bewijsmiddel 1);

- verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], inhoudende, kort gezegd, dat zij bij [verdachte] werkzaam waren, dat zij de desbetreffende, op hun verzoek door de exporteur [A] vervaardigde, aparte facturen ter zake van de quotakosten niet aan de douane-expediteur ter beschikking hebben gesteld, dat zij dat hebben gedaan omdat zij op basis van informatie van collega textielimporteurs in de veronderstelling verkeerden dat quotakosten niet behoefden te worden aangegeven bij de douane en dat zij niet bij de douane-expediteur navraag hebben gedaan over het opnemen van de quotakosten in de douanewaarde dan wel zich niet door anderen hebben laten voorlichten over de vraag of quotakosten bij de douane moeten worden aangegeven (bewijsmiddel 2 en 3);

- de desbetreffende aangiften en facturen (bewijsmiddel 5 en 6).

3.6. Het Hof heeft in het verkorte arrest onder het hoofd "De op te leggen straf" onder meer overwogen:

"(...) de quotakosten vormden in de onderhavige gevallen onderdeel van de statistische douanewaarde, nu niet aannemelijk is gemaakt, dat die door [verdachte] gemaakte kosten daadwerkelijk verband houden met de verwerving van de quota (...)."

3.7. De bewijsmiddelen houden niets in waaruit kan worden afgeleid dat het bij de bedoelde aparte facturen ter zake van de in rekening gebrachte quotakosten gaat om aan de exporteur tegen betaling toegekende eigen quota of door deze van derden verkregen quota, dan wel om kosteloos toegekende quota. Eerst in dat laatste geval kan sprake zijn van een opgave van een te laag of onjuist bedrag aan douanewaarde. De bewezenverklaring is aldus onvoldoende met redenen omkleed. Hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de omstandigheden waaronder de quotakosten buiten de douanewaarde zijn gehouden, te weten dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan [A] hebben verzocht om een aparte factuur waarop de quotakosten werden vermeld en de daarvoor door hen gegeven uitleg, zoals hiervoor onder 3.5 aangeduid, maakt, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk dat - zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld - de onderhavige quotakosten daadwerkelijk onderdeel vormden van de douanewaarde.

3.8. Aan het voorgaande doet niet af dat in een fiscale procedure de betrokkene aannemelijk zal dienen te maken dat de door hem niet in de douanewaarde betrokken quotakosten daadwerkelijk verband houden met de verwerving van die quota, bij gebreke waarvan die kosten (alsnog) in de douanewaarde zullen worden begrepen. In deze strafprocedure zal, gelet op het tenlastegelegde, moeten komen vast te staan dat in de onderhavige aangiften (doordat daarin ten onrechte geen quotakosten zijn betrokken) telkens een te laag bedrag aan statistische douanewaarde is opgegeven.

3.9. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 17 juni 2003.