Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4180

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2003
Datum publicatie
21-11-2003
Zaaknummer
37852
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 37.852 21 november 2003 AB gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 maart 2002, nr. BK 448/00, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de regulerende energiebelasting. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/2059
FED 2003/628
WFR 2003/1918
V-N 2003/60.33 met annotatie van Redactie
BNB 2004/68 met annotatie van Mr. B. Sio
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.852

21 november 2003

AB

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 maart 2002, nr. BK 448/00, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de regulerende energiebelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het jaar 1998 een naheffingsaanslag in de regulerende energiebelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 20.758, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 8 november 2002 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot vernietiging van 's Hofs uitspraak, de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, een bedrijf in de bouwnijverheid, heeft in Nederland zes vestigingen, waar telkens een aantal projecten wordt uitgevoerd. De vestigingen zijn geen zelfstandige rechtspersonen. Bij de werkzaamheden op de vestigingen wordt gasolie voor het aandrijven van machines en installaties gebruikt. De benodigde gasolie wordt door een vestiging zelfstandig bij een leverancier besteld, en wordt dan rechtstreeks geleverd aan de desbetreffende vestiging. De rekeningen, welke staan ten name van belanghebbende, worden naar haar hoofdkantoor gestuurd en van daaruit betaald.

3.2. Belanghebbende heeft over het jaar 1998 op de voet van artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wbm) een verzoek gedaan om teruggaaf van regulerende energiebelasting. In dat verzoek is zij uitgegaan van de in haar Nederlandse vestigingen in totaal afgenomen hoeveelheid gasolie. Nadat die teruggaaf haar was verleend, heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat ter zake van elke vestiging een afzonderlijk verzoek om teruggaaf ingediend had moeten worden. In dat geval zou, omdat teruggaaf wordt verleend voorzover de hoeveelheid die door een verbruiker is betrokken hoger is dan 153.000 liter gasolie, in totaal minder zijn teruggegeven.

Het Hof heeft de Inspecteur in dat standpunt gevolgd. Daartegen keert zich het middel.

3.3.1. Artikel 36l van de Wbm bevat een regeling voor teruggaaf van regulerende energiebelasting, geheven ter zake van het verbruik van halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas. In lid 1 van dat artikel is bepaald dat teruggaaf wordt verleend voorzover de hoeveelheid die door een verbruiker is betrokken in een kalenderjaar een bepaalde hoeveelheid van de desbetreffende brandstof te boven gaat. Lid 2 houdt in dat de teruggaaf wordt verleend 'aan degene die de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken'.

3.3.2. De wetgever heeft de hier gebezigde uitdrukking 'voor eigen verbruik brandstoffen betrekken' verder niet gedefinieerd. De context waarin zij is gebezigd, noch de geschiedenis van de totstandkoming van Hoofdstuk VA van de Wbm, waarin de regulerende energiebelasting is geregeld, noopt ertoe om aan die uitdrukking een andere betekenis toe te kennen dan daaraan gelet op de betekenis van de gebruikte woorden in het spraakgebruik toekomt, te weten: het aanschaffen van brandstoffen teneinde deze zelf als brandstof te verbruiken. Als 'degene die de brandstoffen voor eigen verbruik betrekt' dient dan te worden aangemerkt de (rechts)persoon door wie de gasolie is aangeschaft en die de gasolie als brandstof gebruikt. Deze is dus de 'verbruiker' als bedoeld in lid 1 van het onderhavige artikel en ten aanzien van deze persoon dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja, in hoeverre, de in een kalenderjaar betrokken hoeveelheid brandstof de in dat artikellid vermelde drempelhoeveelheid te boven gaat.

3.3.3. Bij het vorenstaande verdient opmerking dat de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in de Bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1 tot en met 9, onvoldoende steun biedt voor een andere opvatting. Toegegeven kan worden dat in die wetsgeschiedenis enige aanwijzingen zijn te vinden voor de gedachte dat de wetgever, zoals door de Staatssecretaris verdedigd, heeft beoogd bij de hier aan de orde zijnde heffing ter zake van niet-leidinggebonden brandstoffen aan te knopen bij het gebruik "per locatie", zoals dat bij leidinggebonden brandstoffen (aardgas en elektriciteit) in de tekst van de wet, namelijk artikel 36c, leden 2 en 3, is gebeurd doordat daar voor de heffing wordt aangeknoopt bij de levering aan de verbruiker via een aansluiting, dat is een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, letters a tot en met c, van de Wet waardering onroerende zaken op het Nederlandse distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd (artikel 36a, lid 1, letter f, van de Wbm); echter, de wetsgeschiedenis in deze is niet voor slechts één uitleg vatbaar en een zodanig regeling is met betrekking tot niet-leidinggebonden brandstoffen niet in de wettekst neergelegd. De aanwending van niet-leidinggebonden brandstoffen is ook niet zonder meer vergelijkbaar met die van leidinggebonden brandstoffen, nu het gebruik van niet-leidinggebonden brandstoffen zeer wel op andere locaties van een bedrijf (en daarbuiten) kan plaatsvinden dan waar zij zijn afgeleverd.

3.3.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het middel slaagt. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat als 'verbruiker die voor eigen gebruik gasolie heeft betrokken' moet worden aangemerkt elke vestiging van belanghebbende afzonderlijk. Nu die vestigingen geen afzonderlijke rechtspersonen waren doch onderdelen van het bedrijf van belanghebbende, zij degene is voor wier rekening de gasolie is gekocht, en die gasolie in de uitoefening van haar bedrijf als brandstof is verbruikt, is belanghebbende de verbruiker in de zin van artikel 36l, lid 1, van de Wbm. Daaruit volgt dat, anders dan in het standpunt van de Inspecteur dat aan de onderhavige naheffingsaanslag ten grondslag ligt, bij de berekening van de teruggaaf slechts éénmaal rekening dient te worden gehouden met de voor gasolie geldende drempelhoeveelheid van 153.000 liter.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 327, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 450 (€ 204,20), derhalve in totaal € 531,20,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2003.