Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF4131

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
08-04-2003
Zaaknummer
01444/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF4131
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 88
Wetboek van Strafrecht 272
Wetboek van Strafvordering 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 225
NJ 2004, 365 met annotatie van D.H. de Jong
Module Privacy en persoonsgegevens 2003/767
NBSTRAF 2003/215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 april 2003

Strafkamer

nr. 01444/02

SCR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 februari 2002, nummer 20/000158-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2000 - de inleidende dagvaarding nietig verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep verder te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de inleidende dagvaarding ten onrechte nietig heeft verklaard.

3.2.1. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd, dat:

"hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 mei 1998 tot en met 6 september 1999 in Eindhoven, dan wel in Nederland, (telkens) opzettelijk enig geheim waarvan hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht is/was het te bewaren, heeft geschonden, door (telkens) als behandelend zenuwarts van [betrokkene 1] vertrouwelijke (medische) informatie over [betrokkene 1] te vermelden in correspondentie met derden welke (medische) informatie hem verdachte uit hoofde van zijn beroep als zenuwarts bekend was."

3.2.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak zijn beslissing tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding als volgt gemotiveerd:

"Op grond van het verhandelde in hoger beroep is het hof van oordeel dat de tenlastelegging, welke in hoger beroep hetzelfde luidt als in eerste aanleg, onvoldoende duidelijk is om als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting te dienen. Het hof acht met name de term "correspondentie met derden" onvoldoende specifiek, nu niet goed kan worden vastgesteld welke correspondentie van de hand van verdachte, dan wel welke passages uit bedoelde correspondentie, door de opsteller van de tenlastelegging wordt aangemerkt als schending van het beroepsgeheim als bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt daartoe het navolgende.

In het dossier bevindt zich een aantal brieven van de hand van verdachte, gericht aan diverse instanties, in het kader van diverse door aangever ingestelde klachtprocedures. Bij de beraadslaging in raadkamer is gebleken dat niet eenduidig is vast te stellen of (een deel van) bedoelde correspondentie mogelijk dient te worden bezien in het kader van het klachtrecht dan wel tuchtrecht, waarvoor verschillende beoordelingscriteria zouden kunnen gelden, en waardoor het verdachte te zijner verdediging mogelijk was toegestaan aan sommige instanties meer medische informatie betreffende aangever te verstrekken dan aan andere instanties. In een dergelijke situatie, waar derhalve niet eenvoudig is vast te stellen op welk(e) moment(en) en in welke (passages van) bedoelde correspondentie door de verdachte zijn medisch beroepsgeheim zou zijn geschonden, is het naar het oordeel van het hof aan de opsteller van de tenlastelegging om met voldoende nauwkeurigheid aan te geven op welke plaatsen in bedoelde "correspondentie aan derden" daarvan sprake zou zijn.

Op grond van het vorenstaande voldoet de tenlastelegging derhalve naar het oordeel van het hof niet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dient de inleidende dagvaarding deswege alsnog nietig te worden verklaard."

3.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 272, eerste lid, Sr, luidende:

"Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie."

- art. 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, luidende:

"Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen."

3.4. Het gaat in deze zaak om een arts aan wie is tenlastegelegd dat hij opzettelijk een geheim heeft geschonden als bedoeld in art. 272 Sr door medische informatie omtrent een patiënt te vermelden in door hem aan derden verzonden correspondentie. Die correspondentie is, blijkens 's Hofs overwegingen, mogelijk (voor een deel) gevoerd in het kader van door de patiënt tegen de arts gevoerde klachtprocedures.

3.5. In de door het Hof aan de bestreden uitspraak gegeven motivering ligt als zijn kennelijke opvatting besloten dat in een geval als het onderhavige de beantwoording van de vraag of van de tenlastegelegde schending van een geheim als bedoeld in art. 272 Sr sprake is (mede) afhankelijk is van de vraag of en in hoeverre het de verdachte in het kader van zijn verdediging in de klachtprocedures was toegestaan medische informatie omtrent zijn patiënt aan anderen te verstrekken.

3.6. Die opvatting is onjuist, omdat tegen de achtergrond van het bepaalde in art. 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg moet worden geoordeeld dat ook in geval de arts opzettelijk medische informatie omtrent een patiënt aan derden heeft verstrekt in het kader van zijn verdediging in klachtprocedures, hij - in de zin van art. 272 Sr - opzettelijk een geheim heeft geschonden waarvan hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn beroep verplicht was het te bewaren. De arts die terzake wordt vervolgd en die van oordeel is dat zijn gedraging was gerechtvaardigd op de grond dat het belang dat met zijn verdediging in de desbetreffende procedures was gediend, zwaarder dient te wegen dan het belang dat art. 272 Sr beoogt te beschermen, zal zich daarop bij wijze van verweer kunnen beroepen. De afwezigheid van zodanige rechtvaardigende omstandigheden behoeft niet te worden tenlastegelegd.

3.7. Het vorenoverwogene brengt mee dat het uiteindelijke oordeel van het Hof dat de tenlastelegging niet voldoet aan de daaraan in art. 261 Sv gestelde eisen ontoereikend is gemotiveerd, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

3.8. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 april 2003.