Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF3678

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
37938
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/190 met annotatie van P.H.J. Essers
Belastingadvies 2003/3.7
FED 2003/98
WFR 2003/277
V-N 2003/9.15 met annotatie van Redactie
NTFR 2003/262 met annotatie van Drs. N.M. Ligthart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.938

31 januari 2003

S

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 juli 2001, nr. P00/539, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 1.876.086, waarvan een bedrag van f 1.820.969 belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende hield medio 1994 alle 350 geplaatste aandelen in D B.V..

In de algemene vergadering van aandeelhouders van D BV van 21 december 1994 is besloten het aandelenkapitaal voor de helft om te zetten in letteraandelen A en voor de helft in letteraandelen B.

Op 26 december 1994 heeft belanghebbende 175 aandelen in D BV, genummerd 1 tot en met 175, voor f 1.967.987 verkocht aan de niet-gelieerde vennootschap F B.V..

Bij statutenwijziging van 16 mei 1995 zijn 175 geplaatste aandelen D BV, genummerd 1 tot en met 175, omgezet in 175 letteraandelen A, en zijn de andere 175 geplaatste aandelen D BV omgezet in 175 letteraandelen B.

In juni 1995 heeft D BV een dividend van f 1.967.987 aan F BV uitgekeerd. Met de aldus verkregen middelen heeft F BV de ter zake van de koop van de aandelen D BV schuldig gebleven koopsom afgelost.

3.2. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de verkoop van de aandelen D BV aan F BV is ingegeven door het streven om de ten tijde van de verkoop in D BV aanwezige reserves in de vorm van een opbrengst uit hoofde van een verkoop van aandelen aan belanghebbende te doen toekomen en dat belanghebbende ten gevolge van de uitkering van dividend aan F BV na de verkoop van de aandelen - bedoeld zal zijn na het uitkeren van vorenbedoeld dividend - het belang bij de door D BV te behalen resultaten nagenoeg geheel heeft behouden. Uitgaande van deze oordelen heeft het Hof geoordeeld dat de door belanghebbende genoten verkoopopbrengst met toepassing van het leerstuk van fraus legis belast is naar het bijzonder tarief van 45 percent.

3.3. Het eerste middelonderdeel betoogt dat het Hof bij zijn oordeel dat in strijd met doel en strekking van de wet is gehandeld ten onrechte voorbij is gegaan aan de vraag hoe de winstreserves van D BV zijn ontstaan. Het middelonderdeel faalt. In de door het Hof gevolgde gedachtegang, waarbij niet het behoud van de in E B.V. uitgeoefende activiteiten maar het behoud - ondanks de verkoop van de aandelen D BV aan F BV - van het belang in de in D BV uitgeoefende ondernemings- en beleggingsactiviteiten doorslaggevend is, is niet relevant op welke wijze de reserves in D BV zijn ontstaan.

3.4. Het tweede middelonderdeel, dat klaagt over een onjuiste verdeling van de bewijslast, faalt eveneens. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belastingverijdeling het doorslaggevende motief is geweest voor de onderhavige transactie en het heeft al hetgeen belanghebbende daartegen heeft ingebracht gemotiveerd verworpen. Aldus heeft het Hof de bewijslast niet onjuist verdeeld.

3.5. In het derde middelonderdeel wordt betoogd dat belanghebbende na het samenstel van rechtshandelingen niet voor negentig percent of meer gerechtigd is gebleven tot D BV en dat mitsdien toepassing van het leerstuk van fraus legis niet mogelijk is.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende ook na de verkoop van een deel van de aandelen D BV aan F BV het belang in D BV, althans het belang bij de door D BV na de verkoop van de aandelen te behalen resultaten, nagenoeg geheel heeft behouden. Dit oordeel moet kennelijk in die zin worden verstaan dat belanghebbende naar het oordeel van het Hof zijn belang bij de in D BV uitgeoefende ondernemings- en beleggingsactiviteiten heeft behouden. Aldus verstaan geeft het oordeel, anders dan in het derde middelonderdeel wordt betoogd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat dit onderdeel in zoverre faalt.

In het derde onderdeel van het middel wordt voorts betoogd dat bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende evenbedoeld belang geheel of nagenoeg geheel heeft behouden, rekening moet worden gehouden met de verdeling van de resultaten van D BV over de aandeelhouders in de vijf jaren na de overdracht van de aandelen. Ook deze klacht faalt, aangezien voor het antwoord op de vraag of een belastingplichtige zijn belang bij de in een vennootschap uitgoefende activiteiten heeft behouden, moet worden gelet op het belang van de belastingplichtige bij die activiteiten onmiddellijk voorafgaande aan de overdracht van de aandelen en op het belang op het moment dat zowel de overdracht van de aandelen als de daarmee samenhangende rechtshandelingen zijn voltooid.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2003.