Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF3419

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
C01/242HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3419
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 204
NJ 2003, 538 met annotatie van J.M.M. Maeijer
Ondernemingsrecht 2003, 36 met annotatie van F. Veenstra
JWB 2003/163
JBPR 2003/44 met annotatie van mr. M.A. Broeders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 april 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/242HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

SKIPPER CLUB CHARTER B.V., gevestigd te IJlst,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

[verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 5 juli 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: SCC - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd SCC te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 5.070,05, benevens de wettelijke rente vanaf 7 september 1995.

SCC heeft de vordering bestreden en in reconventie gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van een geldsom van ƒ 19.603,41, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 5.698,75 vanaf 1 januari 1995, over ƒ 11.224,18 vanaf 1 januari 1996, over ƒ 1.508,99 vanaf 1 oktober 1996 en over ƒ 1.175,-- vanaf 10 april 1995, telkenmale tot aan de dag der algehele voldoening.

[Verweerder] heeft in conventie zijn vordering in dier voege vermeerderd dat de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn en in reconventie de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 29 oktober 1997 in conventie en in reconventie een comparitie van partijen gelast.

SCC heeft haar vordering in reconventie vermeerderd met een bedrag van ƒ 135,-- met wettelijke rente vanaf 1 januari 1995 en met een bedrag van ƒ 618,75 met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1997.

Vervolgens heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 16 december 1998 in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over een in te stellen deskundigenonderzoek en bij tussenvonnis van 31 maart 1999 in reconventie een deskundigenonderzoek gelast, een deskundige benoemd en een aantal vragen geformuleerd.

Tegen het in reconventie gewezen tussenvonnis van 16 december 1998 heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Bij memorie van grieven heeft hij gevorderd het beroepen interlocutoir vonnis te vernietigen ten aanzien van de beslissing welke voorwerp is van het appèl, en primair, alsnog rechtdoende, te beslissen dat [verweerder] geen onbehoorlijk bestuur te verwijten valt en alleen al om die reden de litigieuze accountantskosten niet voor zijn rekening kunnen worden gebracht noch op hem worden verhaald, met ontzegging van de te dier zake door SCC ingestelde vordering, en subsidiair de zaak terug te verwijzen naar de Rechtbank teneinde SCC alsnog toe te laten tot het bewijs - onafhankelijk van de door de Ondernemingskamer gegeven beslissing - van feiten en omstandigheden, als door haar gesteld, welke naar 's Hofs oordeel, althans het oordeel van de Rechtbank, haar vordering kunnen dragen, een en ander met veroordeling van SCC in de kosten van beide instantiën.

SCC heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 2 mei 2001 heeft het Hof het vonnis in reconventie waarvan beroep vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende de (reconventionele) vordering van SCC afgewezen en de zaak (in conventie) ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank te Leeuwarden verwezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft SCC beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

SCC heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat en door mr. A.L. Kruijmer, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] heeft gefungeerd als directeur van SCC vanaf haar oprichting tot 1 november 1996, op welke datum [verweerder] is teruggetreden. Tevens is [verweerder] directeur en enig aandeelhouder van de houdstermaatschappij Skipper Club Beheer B.V. De laatstgenoemde vennootschap is houdster van nominaal ƒ 820.000,-- aandelen in SCC.

(ii) SCC exploiteert een bedrijf dat motorjachten verhuurt en op kleine schaal boten bouwt ten behoeve van de eigen vloot. Het bedrijf is als eenmanszaak opgebouwd door [verweerder].

(iii) Op 5 augustus 1993 heeft [verweerder] met [betrokkene 1] en diens echtgenote [betrokkene 2] een overeenkomst gesloten voor de voortzetting en overname van het bedrijf. Ter uitwerking van deze overeenkomst werd op 22 maart 1994 SCC opgericht, waarbij de onderneming van [verweerder] werd ingebracht voor ƒ 820.000,--. [Verweerder] verkreeg via zijn "houdstervennootschap" voor de inbreng ƒ 420.000,-- in cumulatief preferente aandelen en ƒ 400.000,-- in gewone aandelen. Door volstorting a pari verkreeg [A] B.V. (waarin [betrokkene 1] en [betrokkene 2] alle aandelen en zeggenschap bezitten) ƒ 400.000,-- in gewone aandelen. In de samenwerkingsovereenkomst werd overeengekomen dat het echtpaar [betrokkene 1 en 2] na drie jaren de aandelen SCC van [verweerder] zou verwerven. Na een inwerkperiode zou [verweerder] per 1 mei 1994 de algemene leiding aan [betrokkene 1] overdragen en een adviserende en projectleidende taak op zich nemen.

(iv) Bij beschikking van 7 november 1996 van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam, gegeven tussen [A] B.V., mede-aandeelhoudster in SCC, als verzoekster enerzijds en SCC, [verweerder] en diens houdstermaatschappij als verweerders anderzijds, is onder meer beslist dat over de periode van 1 januari 1995 tot 2 november 1995 van wanbeleid is gebleken bij SCC, terwijl voorts [verweerder] per 1 november 1996 als bestuurder van SCC is ontslagen, indien en voorzover [verweerder] op deze datum niet is teruggetreden.

(v) Bij beschikking van 27 maart 1997 van de Ondernemingskamer, gegeven tussen SCC als verzoekster en [verweerder] als verweerder, is beslist dat [verweerder] een bedrag van ƒ 15.000,-- aan SCC dient te voldoen ter zake van de kosten van de enquête, die heeft geleid tot de genoemde beslissing van 7 november 1996. In de beslissing van 27 maart 1997 heeft de Ondernemingskamer onder meer geoordeeld, dat [verweerder] in het bijzonder een verwijt treft, aangezien sprake was van wanbeleid van SCC. De Ondernemingskamer heeft voorts geoordeeld dat uit het deskundigenverslag blijkt, dat [verweerder] als meerderheidsaandeelhouder en als bestuurder verantwoordelijk is te achten voor het onjuiste beleid en de onbevredigende gang van zaken bij SCC en dat SCC derhalve de kosten van de enquête op [verweerder] kan verhalen.

3.2 [Verweerder] heeft de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld en heeft daaraan, samengevat, ten grondslag gelegd dat SCC hem de notariskosten dient te vergoeden, die hij had gemaakt voor het notarieel laten vastleggen van een door hem bijeengeroepen vergadering van aandeelhouders. In reconventie heeft SCC de eveneens hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld en heeft daartoe aangevoerd dat [verweerder] in de periode 1994-1996 als bestuurder ernstig tekort was geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar. Zij vorderde vergoeding van de daardoor gemaakte extra kosten, onder meer extra accountantskosten en kosten van een milieu-onderzoek.

3.3 De Rechtbank heeft de hiervoor onder 1 vermelde tussenvonnissen gewezen. Het Hof heeft de vordering in reconventie van SCC afgewezen en de zaak in conventie ter verdere behandeling en beslissing naar de Rechtbank heeft verwezen. Het Hof heeft, voorzover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld. De beschikkingen van de Ondernemingskamer van 7 november 1996 en 27 maart 1997 hebben geen directe betekenis voor de in het onderhavige geding door SCC in reconventie gestelde rechtsbetrekking tussen partijen. De onderhavige vordering van SCC is er hoofdzakelijk op gegrond, dat [verweerder] onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:9 BW zou hebben gepleegd, maar de Ondernemingskamer heeft in haar eerstgenoemde beschikking beoordeeld, of er bij SCC sprake was van wanbeleid in de zin van art. 2:355 BW (rov. 8). Een op art. 2:9 BW gebaseerde aansprakelijkheid zoals door SCC gesteld, kan slechts worden aangenomen in het geval dat de betrokken bestuurder als zodanig (en derhalve niet als aandeelhouder) zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekortgekomen, dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen (rov. 9). SCC heeft onvoldoende concreet feiten en omstandigheden gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat [verweerders] - al dan niet door anderen gecorrigeerde - uitvoering van de hem opgedragen taak als bestuurder van SCC van dien aard was, dat deze voldeed aan de hiervoor gegeven omschrijving (rov. 10). Een tekortkoming als in rov. 9 bedoeld, valt evenmin af te leiden uit het daarop geen betrekking hebbende onderzoeksverslag van G.E. Bod (rov. 11). De enkele omstandigheid, dat een optreden of nalaten van een bestuurder wellicht heeft geleid tot schade voor de vennootschap, brengt nog niet mee dat geen redelijk oordelend ondernemer zou twijfelen aan de ontoereikendheid van het bestuurlijk handelen of nalaten. Dit geldt te meer voor afgeleide kosten, zoals door bestuurlijk handelen of nalaten wellicht veroorzaakte extra kosten van een accountant (rov. 12).

3.4 Met zijn oordeel in rov. 8 dat de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 7 november 1996 en 27 maart 1997 geen directe betekenis hebben voor de in dit geding door SCC (in reconventie) gestelde rechtsbetrekking tussen partijen, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat die beschikkingen niet (tevens) bindend doen vaststaan dat [verweerder] aansprakelijk is op de voet van art. 2:9 BW. Dit oordeel is juist. Onderdeel 1 dat uitgaat van een andere lezing van (dit gedeelte van) rov. 8 van het Hof, kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het Hof in rov. 9 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW.

Voor deze aansprakelijkheid is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (laatstelijk HR 29 november 2002, nr. C01/096, RvdW 2002, 195). De bewoordingen van de hiervoor in 3.3 weergegeven rov. 9 van het Hof lijken erop te wijzen dat het Hof aldus een te strenge maatstaf heeft aangelegd. Geheel duidelijk is dit evenwel niet, nu het Hof met zijn rov. 10 tegen de achtergrond van het debat in de feitelijke instanties, en met name ook de stellingen van SCC weergegeven in onderdeel 3.1, onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die heeft geleid tot de verwerping van de stelling van SCC dat [verweerder] zich heeft schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur. Ook uit rov. 10 valt niet af te leiden welke maatstaf het Hof precies heeft gehanteerd. In zoverre is ook onderdeel 3.3 gegrond. De overige klachten van onderdeel 3 behoeven geen behandeling.

Het Hof waarnaar de zaak wordt verwezen, zal opnieuw en in volle omvang op grond van hetgeen partijen in de feitelijke instanties hebben aangevoerd, hebben te beoordelen of [verweerder] als bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 2 mei 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SCC begroot op € 360,50 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 4 april 2003.