Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF3312

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-03-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
02416/02 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3312
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

11 maart 2003 Strafkamer nr. 02416/02 U SG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam van 2 oktober 2002, nummer RK 02/349, op een verzoek van het Koninkrijk België tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 178
NJ 2004, 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 maart 2003

Strafkamer

nr. 02416/02 U

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam van 2 oktober 2002, nummer RK 02/349, op een verzoek van het Koninkrijk België tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon ontoelaatbaar verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen de ontoelaatbaarverklaring door de Rechtbank van de verzochte uitlevering.

3.2. De Rechtbank heeft ter motivering van de ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering het volgende overwogen:

"1. Art. 6 EVRM - inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn - beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Aldus kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de vervolgende staat jegens de betrokkene -in dit geval: de opgeëiste persoon- een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van de hem medegedeelde en verweten strafbare feiten door het Openbaar Ministerie van de vervolgende staat een strafvervolging zal worden ingesteld (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721).

2. Gelijk namens de opgeëiste persoon is betoogd gaat de rechtbank er van uit dat de opgeëiste persoon in 1993 is verhoord terzake de hem verweten feiten (kort gezegd): (de) vermogensdelicten als genoemd in het onderhavige uitleveringsverzoek), door de Belgische autoriteiten bij gelegenheid van een tegen hem gerichte, op verzoek van de Belgische autoriteiten uitgevoerde huiszoeking. De rechtbank gaat er van uit dat dit dient te gelden als een/de hierboven onder 1. genoemde handeling.

3. Sedertdien heeft de opgeëiste persoon niets meer vernomen, ofschoon hij, blijkens de GBA-gegevens die door de raadsvrouwe zijn overgelegd, praktisch bij voortduring in Nederland bereikbaar moet zijn geweest. Desondanks heeft de opgeëiste persoon niet meer vernomen omtrent de tegen hem ingestelde vervolging. Oproepingen met betrekking tot de tegen hem gevoerde (verstek)procedure zijn hem kennelijk niet verzonden, terwijl ook het verstekvonnis van 24 juni 1999 hem kennelijk niet in persoon of aan zijn adres in Nederland is betekend of op andere wijze zijdens de Belgische autoriteiten bekend is gemaakt. Althans blijkt van het tegendeel niet uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken. Aldus heeft, na zijn verhoor in 1993, geen enkele, hem kenbare vervolgingshandeling plaatsgevonden.

4. Gelet op het vorenstaande, te weten enerzijds de (kennelijke afwezigheid van) ingewikkeldheid en (betrekkelijk geringe) ernst van de verweten feiten en anderzijds de mate van voortvarendheid welke door de Belgische vervolgende autoriteiten is betracht is de rechtbank van oordeel dat een zodanige schending van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden dat deze schending van het hierboven bedoelde bepaalde in art. 6 EVRM oplevert welke, gelet op het voorgaande, zodanig is dat deze niet kan worden gecompenseerd door strafvermindering.

5. De vraag welke vervolgens aan de orde komt is of de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 eerste lid EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de uit het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag (en daarbij, als hierboven, genoemde Overeenkomsten) voortvloeiende verplichting tot uitlevering in de weg staat (vgl. HR 5 maart 1991, NJ 1991, 547, r.o. 6.4).

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, zulks gelet op het hierboven onder 3. en 4. overwogene in samenhang met de omstandigheid dat tussen het moment waarop de opgeëiste persoon met de hem dreigende vervolging is geconfronteerd en het moment waarop thans zijn uitlevering wordt gevraagd een, naar het oordeel van de rechtbank, extreem lange periode -9 jaar- is verstreken, welke in geen enkel opzicht voor zijn risico kan komen.

6. Het Openbaar Ministerie heeft (nog) het standpunt ingenomen dat aan het bovengenoemde tijdsverloop geen relevantie kan worden toegekend nu uitlevering van Nederlanders eerst sinds oktober 2001 aan België mogelijk is zodat de Belgische autoriteiten niet veel eerder dan thans het geval is middels uitlevering de vervolging van de opgeëiste persoon hadden kunnen effectueren. Naar het oordeel van de rechtbank miskent het Openbaar Ministerie daarmede niet alleen dat het ontbreken van de mogelijkheid tot uitlevering voor risico van de vervolgende autoriteiten dient te zijn maar dat de Belgische autoriteiten mogelijk ook andere middelen ten dienste hebben gestaan om genoemde vervolging (in persoon) te effectueren, maar daar kennelijk geen gebruik van hebben gemaakt. Zo is bijv. niet gebleken van enige internationale signalering van de opgeëiste persoon ter aanhouding met betrekking tot de hem verweten feiten (terwijl hij onbestreden heeft gesteld in de bovengenoemde periode -ook- in Spanje te hebben verbleven). Kortom, niet vast staat dat uitlevering van de opgeëiste persoon het enige middel zou zijn geweest dat de Belgische autoriteiten ten dienste heeft gestaan. Nu andere mogelijkheden klaarblijkelijk niet zijn beproefd dient ook dit voor risico van de vervolgende autoriteiten te zijn en kan -ook in dit verband- naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheid dat eerst kort geleden de uitlevering van Nederlanders mogelijk is geworden relevante tekortkomingen, in de zin van art. 6 EVRM zijdens de Belgische overheid niet repareren.

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzochte uitlevering ontoelaatbaar verklaren."

3.3. De rechtspraak van de Hoge Raad kan, voorzover hier van belang, als volgt worden samengevat. Indien de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon (verder) te vervolgen, komt het in de gevallen - zoals hier - waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toe te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Wat betreft art. 6 EVRM kan dit beginsel evenwel uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Zoals volgt uit onder meer HR 29 mei 1990, NJ 1991, 467 en HR 5 maart 1991, NJ 1991, 547 is niet uitgesloten dat tijdsverloop grond kan opleveren voor ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering, namelijk indien het tijdsverloop van dien aard is dat er - alle omstandigheden in aanmerking genomen - geen sprake meer kan zijn van een berechting van de opgeëiste persoon binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.4. De Hoge Raad is van oordeel dat voormelde opvatting precisering behoeft. In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, brengt het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen, mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

3.5. Door of namens de opgeëiste persoon is niet aangevoerd en door de Rechtbank is ook niet vastgesteld dat volgens het recht van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon zich na uitlevering niet met vrucht zal kunnen beroepen op een jegens hem gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM dan wel aan een geslaagd beroep niet alsnog zodanige rechtsgevolgen kunnen worden verbonden dat een inbreuk voldoende wordt gecompenseerd. Het oordeel van de Rechtbank is gelet daarop niet naar behoren met redenen omkleed.

3.6. Voorzover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 13 mei 2003, te 12.15 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 maart 2003.